1. Bij de berekening van de subsidie wordt in aanmerking genomen het gekapitaliseerde verschil tussen de refinancieringsrente en de OESO-consensusrente, berekend over de aflossingsperiode.
2. Naast de in het eerste lid bedoelde kosten worden, indien de order een levertijd heeft van meer dan één jaar, de kosten over de gebruikelijke opnameperiode van het exportkrediet mede in aanmerking genomen. Ten aanzien van de berekening van deze kosten is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde kosten wordt uitgegaan van een exportkrediet met een vast rentepercentage en vindt kapitalisatie plaats tegen de in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde rente, zonder de in artikel 3bedoelde opslag, op basis van samengestelde interest over de aflossingsperiode.
4. Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde kosten wordt uitgegaan van een exportkrediet met een vast rentepercentage en vindt kapitalisatie plaats tegen de in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde rente, zonder de in artikel 3bedoelde opslag, op basis van samengestelde interest en uitgaande van een lineair opnameschema van het exportkrediet.
5. In afwijking van het vierde lid wordt uitgegaan van het door de subsidieontvanger voorgestelde opnameschema van het exportkrediet indien hij dit opnameschema aan de minister voorlegt uiterlijk op de datum, bedoeld in
artikel 13, tweede lid, van het Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen.
6. De in het tweede lid bedoelde kosten kunnen eveneens in aanmerking worden genomen indien het exportkrediet gedurende de opnameperiode een variabel rentepercentage heeft. In dat geval wordt voor de berekening van de kosten uitgegaan van het bij dit exportkrediet van toepassing zijnde vaste rentepercentage over de aflossingsperiode en zijn het vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.