BWBR0013310
Geldig vanaf 01-09-2008
Artikel 9
Stageverordening 2005
1. De stage eindigt tussentijds:
a. Krachtens onderling goedvinden van patroon en stagiaire;
b. Na opzegging door de stagiaire;
c. Na opzegging door de patroon, indien deze is voorafgegaan door goedkeuring van de Raad van Toezicht;
d. Door een ambtshalve beslissing van de Raad van Toezicht;
e. Zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
2. De opzegging, als bedoeld in het eerste lid onder c, kan in ieder geval plaatsvinden indien het bewijs dat met gunstig gevolg het in artikel 9c van de wet bedoelde examen, niet meer kan worden overgelegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.
3. De patroon brengt een tussentijdse beëindiging, als bedoeld in het eerste lid onder a, b en c, onverwijld schriftelijk ter kennis van de Raad van Toezicht.
4. De in het eerste lid onder c bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is en een voor de stagiaire aanvaardbare mogelijkheid om een andere patroon te verkrijgen niet bestaat.
5. Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet indien het gaat om de tussentijdse beëindiging als gevolg van een opzegging als bedoeld in het tweede lid.
6. De stage is van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de stagiaire
a. geen patroon heeft of
b. de praktijk niet onder toezicht van een patroon uitoefent of
c. de praktijk niet uitoefent.
a. Krachtens onderling goedvinden van patroon en stagiaire;
b. Na opzegging door de stagiaire;
c. Na opzegging door de patroon, indien deze is voorafgegaan door goedkeuring van de Raad van Toezicht;
d. Door een ambtshalve beslissing van de Raad van Toezicht;
e. Zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
2. De opzegging, als bedoeld in het eerste lid onder c, kan in ieder geval plaatsvinden indien het bewijs dat met gunstig gevolg het in artikel 9c van de wet bedoelde examen, niet meer kan worden overgelegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.
3. De patroon brengt een tussentijdse beëindiging, als bedoeld in het eerste lid onder a, b en c, onverwijld schriftelijk ter kennis van de Raad van Toezicht.
4. De in het eerste lid onder c bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is en een voor de stagiaire aanvaardbare mogelijkheid om een andere patroon te verkrijgen niet bestaat.
5. Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet indien het gaat om de tussentijdse beëindiging als gevolg van een opzegging als bedoeld in het tweede lid.
6. De stage is van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de stagiaire
a. geen patroon heeft of
b. de praktijk niet onder toezicht van een patroon uitoefent of
c. de praktijk niet uitoefent.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013310
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl