1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld:
a. bij of krachtens de wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens de Wet suwi is opgedragen aan het UWV;
b. in de artikelen 161 sexies, 161 septies, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 194, 197, 197a, 197b, 197c, 197d, 198, 225, 226, 227, 227a, 227b, 228, 229, 231, 266, 321, 322, 323a, 326, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 347, 348, 350a, 350b, 362, 363, 416, 417, 417bis, 435, onder 4, 442, 447b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het feit van belang is voor de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, met de uitvoering waarvan het UWV krachtens de wet is belast, dan wel voor de uitvoering van andere taken, voor het verrichten waarvan het UWV krachtens de Wet suwi de goedkeuring heeft gekregen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd de in
artikel 55b van het Wetboek van Strafvorderinggenoemde bevoegdheden uit te oefenen.
3. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.