BWBR0013220
Geldig vanaf 2001-12-23
Artikel 2
Instellingsregeling Commissie van Toezicht College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
1. De Commissie heeft tot taak:
a. het toezien op de uitvoering van de bestrijdingsmiddelenregelgeving en van aanwijzingen als bedoeld in artikel 1j van de Bestrijdingsmiddelenwet door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, hierna te noemen het college;
b. het bewaken van een juiste en doelmatige besteding door het college van zijn inkomsten, bedoeld in artikel 1g van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
c. het bewaken van de kwaliteit van, het vertrouwen in en de stabiliteit van de taakuitvoering door het college;
d. het toezien op de naleving door het college van tussen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enerzijds en het college anderzijds gemaakte afspraken over aangelegenheden als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en
e. het toezicht houden op de wijze waarop het college wordt betrokken bij het opstellen van de voor de uitvoering van zijn wettelijke taken relevante wet- en regelgeving.
2. De Commissie verricht haar taken namens de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde bewindslieden, binnen de kaders van het door bedoelde bewindslieden vastgestelde toezichtsarrangement met betrekking tot het college.
3. De Commissie rapporteert aan de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde bewindslieden en doet in voorkomend geval aanbevelingen voor verbetering.
a. het toezien op de uitvoering van de bestrijdingsmiddelenregelgeving en van aanwijzingen als bedoeld in artikel 1j van de Bestrijdingsmiddelenwet door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, hierna te noemen het college;
b. het bewaken van een juiste en doelmatige besteding door het college van zijn inkomsten, bedoeld in artikel 1g van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
c. het bewaken van de kwaliteit van, het vertrouwen in en de stabiliteit van de taakuitvoering door het college;
d. het toezien op de naleving door het college van tussen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enerzijds en het college anderzijds gemaakte afspraken over aangelegenheden als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en
e. het toezicht houden op de wijze waarop het college wordt betrokken bij het opstellen van de voor de uitvoering van zijn wettelijke taken relevante wet- en regelgeving.
2. De Commissie verricht haar taken namens de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde bewindslieden, binnen de kaders van het door bedoelde bewindslieden vastgestelde toezichtsarrangement met betrekking tot het college.
3. De Commissie rapporteert aan de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde bewindslieden en doet in voorkomend geval aanbevelingen voor verbetering.