BWBR0013209
Geldig vanaf 22-12-2001
Artikel 6
Regeling achtergestelde lening opvanginstrument
1. Schuldeiser kan de lening alleen opeisen in geval van:
a. vereffening van schuldenaar;
b. een uit het vergoedingsplan voortvloeiend opeisbaar recht op teruggave, als bedoeld in artikel 147l, tweede lid, van de wet, tot ten hoogste het aldus opeisbare bedrag;
c. beëindiging van de toepassing van het opvanginstrument, als bedoeld in artikel 147m, tweede lid, van de wet.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid zal schuldenaar de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de lening eerst verrichten en zal schuldeiser de betaling eerst aanvaarden nadat de bestaande en toekomstige vorderingen van alle andere crediteuren van schuldenaar, behoudens de achtergestelde vorderingen van de andere schuldeisers als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, en artikel 4, tweede volzin, ten volle zijn voldaan blijkens schriftelijke verklaring van de vereffenaars onderscheidenlijk het bestuur van schuldenaar.
a. vereffening van schuldenaar;
b. een uit het vergoedingsplan voortvloeiend opeisbaar recht op teruggave, als bedoeld in artikel 147l, tweede lid, van de wet, tot ten hoogste het aldus opeisbare bedrag;
c. beëindiging van de toepassing van het opvanginstrument, als bedoeld in artikel 147m, tweede lid, van de wet.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid zal schuldenaar de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de lening eerst verrichten en zal schuldeiser de betaling eerst aanvaarden nadat de bestaande en toekomstige vorderingen van alle andere crediteuren van schuldenaar, behoudens de achtergestelde vorderingen van de andere schuldeisers als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, en artikel 4, tweede volzin, ten volle zijn voldaan blijkens schriftelijke verklaring van de vereffenaars onderscheidenlijk het bestuur van schuldenaar.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013209
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl