1. Subsidie wordt met toepassing van
artikel 1.1.7, derde lid, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zakeneens in de vier jaar als instellingssubsidie verleend voor een subsidietijdvak van vier jaar.
2. In afwijking van
artikel 1.1.6, eerste lid, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zakenmaakt de minister uiterlijk twaalf maanden voorafgaand aan het subsidietijdvak zijn beleidsvoornemens bekend.
3. Aanvragen kunnen tot uiterlijk 15 april in het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak bij de minister worden ingediend.
4. De minister legt de tijdig en volledig ingediende aanvragen om subsidie voor aan een adviescommissie.
5. De commissie bestaat uit zeven leden. De minister benoemt de leden en wijst uit hun midden een voorzitter aan, gehoord de op grond van deze regeling gesubsidieerde organisaties.
6. De minister draagt zorg dat de commissie zo is samengesteld dat een onafhankelijke en deskundige oordeelsvorming gewaarborgd is.
7. De minister voegt aan de commissie een secretariaat toe. Het secretariaat staat onder leiding van een secretaris. De minister stelt de commissie in de gelegenheid een voordracht voor de benoeming van de secretaris te doen.
8. De commissie stelt de minister uiterlijk vier maanden voorafgaand aan het subsidietijdvak in kennis van haar advies omtrent de ingediende aanvragen in het licht van de artikelen 2en 3en de door de minister bij de toepassing van
artikel 1.1.7, derde lid, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zakenbekendgemaakte maatstaven, alsmede omtrent de omvang van de aan de afzonderlijke subsidieaanvragers te verlenen subsidie en de aan de subsidieverlening te verbinden verplichtingen.
9. De minister beslist uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het subsidietijdvak.