BWBR0013181
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 6
Jachtregeling
1. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met een eendenkooi bevat:
a. ten minste 30 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 15 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia- of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, j, k en l, van het Jachtbesluit.
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
a. ten minste 30 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 15 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia- of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, j, k en l, van het Jachtbesluit.
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.