Het mandaat en de volmacht van de directeur wordt uitgeoefend ten aanzien van aangelegenheden die naar het oordeel van de directeur en te zijner verantwoording behoren tot zijn werkterrein overeenkomstig het
Organisatiebesluit BZKen die, onverminderd het bepaalde in het MV-besluit secretaris-generaal BZK, het MV-besluit diensthoofden BZK onderscheidenlijk dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een bewindspersoon, de secretaris-generaal of het diensthoofd die het aangaat.