BWBR0013104
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 4
Besluit verwisseling en intrekking van bankbiljetten
1. In dit artikel wordt onder bankbiljetten verstaan: bankbiljetten luidend in guldens, ten aanzien waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met Onze machtiging houders heeft opgeroepen deze ter verwisseling aan te bieden binnen een termijn, die eerder eindigt dan op 31 december 2002.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de in de betreffende oproeping bedoelde bankbiljetten door De Nederlandsche Bank N.V. verwisseld, nadat bij onderzoek is gebleken dat aan de aanvraag tot verwisseling redelijkerwijs gevolg behoort te worden gegeven.
3. Tien jaren na de in het eerste lid bedoelde termijn wordt het bedrag van de in de betreffende oproeping bedoelde bankbiljetten, die niet ter verwisseling zijn aangeboden, toegevoegd aan de winst van de Nederlandsche Bank van het lopende boekjaar. Bankbiljetten, die na het einde van deze termijn nog ter verwisseling worden aangeboden, worden, in de gevallen in het slot van het tweede lid bedoeld, verwisseld ten laste van de winst- en verliesrekening van De Nederlandsche Bank N.V.
4. Na verloop van dertig jaren sedert het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn vervalt het recht om verwisseling van de in de betreffende oproep bedoelde bankbiljetten te vorderen.
2. Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de in de betreffende oproeping bedoelde bankbiljetten door De Nederlandsche Bank N.V. verwisseld, nadat bij onderzoek is gebleken dat aan de aanvraag tot verwisseling redelijkerwijs gevolg behoort te worden gegeven.
3. Tien jaren na de in het eerste lid bedoelde termijn wordt het bedrag van de in de betreffende oproeping bedoelde bankbiljetten, die niet ter verwisseling zijn aangeboden, toegevoegd aan de winst van de Nederlandsche Bank van het lopende boekjaar. Bankbiljetten, die na het einde van deze termijn nog ter verwisseling worden aangeboden, worden, in de gevallen in het slot van het tweede lid bedoeld, verwisseld ten laste van de winst- en verliesrekening van De Nederlandsche Bank N.V.
4. Na verloop van dertig jaren sedert het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn vervalt het recht om verwisseling van de in de betreffende oproep bedoelde bankbiljetten te vorderen.