BWBR0013040
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 20
Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002
1. De subsidie-ontvanger dient binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 11, onder e, bij de programmabeheerder een verzoek tot vaststelling van de subsidie in dat vergezeld gaat van:
a. een schriftelijke verantwoording omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het project, met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier, en gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier met de verantwoording moeten worden meegezonden;
b. een financieel eindverslag dat vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel eindverslag en de accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig het bij de programmabeheerder verkrijgbare controleprotocol.
2. Indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, stelt de programmabeheerder hem in de gelegenheid daaraan binnen een door de programmabeheerder te stellen termijn alsnog te voldoen.
3. Indien na afloop van deze termijn geen verantwoording is ingediend, stelt de programmabeheerder de subsidie ambtshalve vast.
a. een schriftelijke verantwoording omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het project, met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar formulier, en gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier met de verantwoording moeten worden meegezonden;
b. een financieel eindverslag dat vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel eindverslag en de accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig het bij de programmabeheerder verkrijgbare controleprotocol.
2. Indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, stelt de programmabeheerder hem in de gelegenheid daaraan binnen een door de programmabeheerder te stellen termijn alsnog te voldoen.
3. Indien na afloop van deze termijn geen verantwoording is ingediend, stelt de programmabeheerder de subsidie ambtshalve vast.