BWBR0012990
Geldig vanaf 2001-11-17
Artikel 4
Regeling impuls groen beroepsonderwijs 2001
1. De minister verleent de subsidie indien het bevoegd gezag van de instelling uiterlijk op 15 november 2001 een schriftelijk verzoek daartoe indient bij de AOC-raad op een daarvoor door de AOC-raad ter beschikking gesteld formulier.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon voor het project bij de instelling;
b. een verklaring dat de instelling vóór 1 december 2001 aan de AOC-raad meedeelt voor welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen de subsidie wordt ingezet en met welke personen of instanties wordt samengewerkt ten behoeve van de realisering van de beoogde kwalificatiewinst;
c. een verklaring dat de instelling vóór 1 februari 2002 een afsluitende rapportage aan de minister zendt, volgens het formulier dat hiertoe door de AOC-raad ter beschikking wordt gesteld, en
d. een verklaring dat het bevoegd gezag het afsluitende rapport en de in het kader van het project voortgebrachte producten ter beschikking stelt aan de AOC-raad.
3. De verklaring, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, wordt ingediend op een daartoe vastgesteld formulier.
4. In het rapport, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, wordt tenminste vermeld:
a. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, de subsidie is besteed;
b. de wijze waarop met scholen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs die vmbo verzorgen in de regio, landelijke organen, Regionale Opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.2 van de wet, vakinstellingen, hbo en het bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd en een analyse van eventuele verschillen tussen doelstelling en realisatie.
5. Het project wordt vóór 1 juli 2002 afgerond.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon voor het project bij de instelling;
b. een verklaring dat de instelling vóór 1 december 2001 aan de AOC-raad meedeelt voor welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen de subsidie wordt ingezet en met welke personen of instanties wordt samengewerkt ten behoeve van de realisering van de beoogde kwalificatiewinst;
c. een verklaring dat de instelling vóór 1 februari 2002 een afsluitende rapportage aan de minister zendt, volgens het formulier dat hiertoe door de AOC-raad ter beschikking wordt gesteld, en
d. een verklaring dat het bevoegd gezag het afsluitende rapport en de in het kader van het project voortgebrachte producten ter beschikking stelt aan de AOC-raad.
3. De verklaring, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, wordt ingediend op een daartoe vastgesteld formulier.
4. In het rapport, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, wordt tenminste vermeld:
a. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, de subsidie is besteed;
b. de wijze waarop met scholen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs die vmbo verzorgen in de regio, landelijke organen, Regionale Opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.2 van de wet, vakinstellingen, hbo en het bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd en een analyse van eventuele verschillen tussen doelstelling en realisatie.
5. Het project wordt vóór 1 juli 2002 afgerond.