BWBR0012845
Geldig vanaf 2001-10-14
Artikel 2
Mandaatbesluit artikelen 82, 83, 90b en 90c Wet toezicht kredietwezen 1992
De Bank oefent in naam van de Minister de volgende bevoegdheden uit:
1. het verlenen van ontheffingen ingevolge de artikelen 82, derde lid, en 83, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
2. het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 82, vierde lid, respectievelijk artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 aan ontheffingen verleend ingevolge artikel 82, derde lid, en artikel 83, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
3. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
4. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 90c, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
5. de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk XIIIB van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die noodzakelijk zijn met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid, en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, Wet toezicht kredietwezen 1992.
1. het verlenen van ontheffingen ingevolge de artikelen 82, derde lid, en 83, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
2. het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 82, vierde lid, respectievelijk artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 aan ontheffingen verleend ingevolge artikel 82, derde lid, en artikel 83, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
3. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
4. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 90c, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
5. de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk XIIIB van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die noodzakelijk zijn met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete ter zake van overtreding van artikel 82, eerste lid, en artikel 83, eerste lid, dan wel ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 82, vierde lid, en artikel 83, vierde lid, Wet toezicht kredietwezen 1992.