BWBR0012812
Geldig vanaf 2020-12-06
Artikel 30
Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid en artikel 42, vierde lid, van de weten artikel 7.1 van het besluitwordt een ingehouden of ingeleverd reisdocument terstond doorgezonden aan:
a. de burgemeester van de gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam, indien de houder in Nederland woonachtig is;
b. de Minister van Buitenlandse Zaken indien: 1°. de houder niet in Nederland woonachtig is en het reisdocument in het buitenland is verstrekt,
2°. het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet aan een vreemdeling verstrekt laissez-passer betreft;
1°. de houder niet in Nederland woonachtig is en het reisdocument in het buitenland is verstrekt,
2°. het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet aan een vreemdeling verstrekt laissez-passer betreft;
c. de autoriteit in Aruba, Curaçao of Sint Maarten die het reisdocument heeft verstrekt, indien de houder niet in Nederland woonachtig is;
d. de burgemeester van 's-Gravenhage, indien het reisdocument in Nederland is verstrekt en de houder niet in Nederland woonachtig is.
2. Indien het reisdocument op grond van een daartoe strekkende vermelding in het opsporingsregister is ingehouden, wordt terstond contact opgenomen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ten einde te vernemen aan welke autoriteit het reisdocument moet worden doorgezonden.
3. Bij de inhouding of de inlevering wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
4. De doorzending geschiedt per aangetekende post met een begeleidende brief waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vermeld:
a. naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de houder;
b. het nummer van het reisdocument;
c. de autoriteit die het reisdocument heeft verstrekt en het einde van de geldigheidsduur;
d. de datum en de reden van inhouding of inlevering van het reisdocument.
5. De in het eerste lid, onder c, bedoelde doorzending geschiedt door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
a. de burgemeester van de gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam, indien de houder in Nederland woonachtig is;
b. de Minister van Buitenlandse Zaken indien: 1°. de houder niet in Nederland woonachtig is en het reisdocument in het buitenland is verstrekt,
2°. het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet aan een vreemdeling verstrekt laissez-passer betreft;
1°. de houder niet in Nederland woonachtig is en het reisdocument in het buitenland is verstrekt,
2°. het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet aan een vreemdeling verstrekt laissez-passer betreft;
c. de autoriteit in Aruba, Curaçao of Sint Maarten die het reisdocument heeft verstrekt, indien de houder niet in Nederland woonachtig is;
d. de burgemeester van 's-Gravenhage, indien het reisdocument in Nederland is verstrekt en de houder niet in Nederland woonachtig is.
2. Indien het reisdocument op grond van een daartoe strekkende vermelding in het opsporingsregister is ingehouden, wordt terstond contact opgenomen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ten einde te vernemen aan welke autoriteit het reisdocument moet worden doorgezonden.
3. Bij de inhouding of de inlevering wordt een ontvangstbewijs verstrekt.
4. De doorzending geschiedt per aangetekende post met een begeleidende brief waarin in ieder geval de volgende gegevens worden vermeld:
a. naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de houder;
b. het nummer van het reisdocument;
c. de autoriteit die het reisdocument heeft verstrekt en het einde van de geldigheidsduur;
d. de datum en de reden van inhouding of inlevering van het reisdocument.
5. De in het eerste lid, onder c, bedoelde doorzending geschiedt door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.