BWBR0012791
Geldig vanaf 2001-11-01
Artikel 3
Besluit DNA-onderzoek in strafzaken
1. Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels ten behoeve van een DNA-onderzoek bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wetdan wel een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldengeschiedt:
a. op de wijze als omschreven in artikel 2, vierde tot en met zesde lid, en
b. met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
2. Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wetkan, ingeval de verdachte daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3. Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenkan, ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenof artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingendie voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
4. Artikel 2, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
a. op de wijze als omschreven in artikel 2, vierde tot en met zesde lid, en
b. met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
2. Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wetkan, ingeval de verdachte daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
3. Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenkan, ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenof artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingendie voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
4. Artikel 2, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.