BWBR0012752
Geldig vanaf 2001-08-25
Artikel 9
Subsidieregeling duurzame bedrijventerreinen
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. hij de projectkosten raamt op minder dan € 11.500;
c. onvoldoende wordt gestreefd naar op gezamenlijke aanpak van milieuthema's gerichte samenwerking tussen bedrijven op een bedrijventerrein of bedrijven en overheden op dat terrein, of onvoldoende wordt gestreefd naar continuïteit of uitbreiding van die samenwerking;
d. in de aanvraag onvoldoende aandacht wordt besteed aan de relevante milieuthema's;
e. onvoldoende is aangetoond dat het project een grote kans van slagen heeft;
f. het project gericht is op ontwikkeling van kennis die reeds bestaat en voor het publiek beschikbaar is;
g. gegronde vrees bestaat dat betrokkenen het project niet kunnen financieren;
h. de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, zoals opgenomen in het projectplan, niet overeenstemmen met de concrete uitwerking zoals die blijkt uit bij de aanvraag gevoegde documenten;
i. indien relevant voor het slagen van het project: indien planologische belemmeringen het onwaarschijnlijk maken, dat binnen 48 maanden na de beslissing op de aanvraag een aanvang kan worden gemaakt met de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein;
j. het project overigens onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van deze regeling.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. hij de projectkosten raamt op minder dan € 11.500;
c. onvoldoende wordt gestreefd naar op gezamenlijke aanpak van milieuthema's gerichte samenwerking tussen bedrijven op een bedrijventerrein of bedrijven en overheden op dat terrein, of onvoldoende wordt gestreefd naar continuïteit of uitbreiding van die samenwerking;
d. in de aanvraag onvoldoende aandacht wordt besteed aan de relevante milieuthema's;
e. onvoldoende is aangetoond dat het project een grote kans van slagen heeft;
f. het project gericht is op ontwikkeling van kennis die reeds bestaat en voor het publiek beschikbaar is;
g. gegronde vrees bestaat dat betrokkenen het project niet kunnen financieren;
h. de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, zoals opgenomen in het projectplan, niet overeenstemmen met de concrete uitwerking zoals die blijkt uit bij de aanvraag gevoegde documenten;
i. indien relevant voor het slagen van het project: indien planologische belemmeringen het onwaarschijnlijk maken, dat binnen 48 maanden na de beslissing op de aanvraag een aanvang kan worden gemaakt met de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein;
j. het project overigens onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van deze regeling.