BWBR0012702
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 37
Besluit stralingsbescherming
1. Het is verboden zich zonder vergunning van de Autoriteit te ontdoen van radioactieve stoffen voor product- of materiaalhergebruik of van radioactieve afvalstoffen.
2. Het verbod geldt niet indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stoffen in een kalenderjaar in totaal lager is dan de waarde die voor die radioactieve stoffen krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, is vastgesteld, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de daarvoor krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, vastgestelde waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het verbod geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 11, zesde lid, tevens niet indien het ingekapselde bronnen betreft, die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd.
5. Het verbod geldt tevens niet indien het een feitelijke levering betreft van radioactieve stoffen door enkele overgave aan een derde met het oog op:
a. product- of materiaalhergebruik van radioactieve stoffen, of
b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
6. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan een door de Autoriteit aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de wet.
7. Het verbod geldt tevens niet voor het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen door afgifte aan een door de Autoriteit erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen.
8. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan door de Autoriteit aangewezen instellingen voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.
9. Het vierde tot en met achtste lid gelden alleen indien de ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is deze stoffen te ontvangen.
10. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetis paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in het zesde en achtste lid en de aanvraag om een erkenning als bedoeld in het zevende lid.
2. Het verbod geldt niet indien:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stoffen in een kalenderjaar in totaal lager is dan de waarde die voor die radioactieve stoffen krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, is vastgesteld, of
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de daarvoor krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, vastgestelde waarde.
3. Artikel 25, derde, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het verbod geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 11, zesde lid, tevens niet indien het ingekapselde bronnen betreft, die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd.
5. Het verbod geldt tevens niet indien het een feitelijke levering betreft van radioactieve stoffen door enkele overgave aan een derde met het oog op:
a. product- of materiaalhergebruik van radioactieve stoffen, of
b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
6. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan een door de Autoriteit aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de wet.
7. Het verbod geldt tevens niet voor het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen door afgifte aan een door de Autoriteit erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen.
8. Het verbod geldt tevens niet voor afgifte aan door de Autoriteit aangewezen instellingen voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.
9. Het vierde tot en met achtste lid gelden alleen indien de ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is deze stoffen te ontvangen.
10. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetis paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in het zesde en achtste lid en de aanvraag om een erkenning als bedoeld in het zevende lid.