BWBR0012702
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 25
Besluit stralingsbescherming
1. Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit een andere handeling dan bedoeld in artikel 24of 37, niet zijnde een lozing, met een radioactieve stof te verrichten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid en in artikel 24, onder c, geldt niet indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor vastgestelde waarde,
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor vastgestelde waarde, of
c. een handeling wordt verricht met: 1°. een Nikkel-63 bron die onderdeel is van analyseapparatuur met een maximale activiteit van 1 GBq, of
2°. een meet-, regel- of ijkbron in een vaste opstelling met een activiteit van de gebruikte nuclide van minder dan 100 maal de activiteit van de krachtens artikel 3 daarvoor vastgestelde waarde.
1°. een Nikkel-63 bron die onderdeel is van analyseapparatuur met een maximale activiteit van 1 GBq, of
2°. een meet-, regel- of ijkbron in een vaste opstelling met een activiteit van de gebruikte nuclide van minder dan 100 maal de activiteit van de krachtens artikel 3 daarvoor vastgestelde waarde.
3. Indien een radioactieve stof meer soorten radionucliden bevat, wordt de activiteitsconcentratie van de radionucliden gewogen gesommeerd volgens de bij verordening van de Autoriteit aan te wijzen methode. Aan het tweede lid, onder b, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan 1 is.
4. Indien binnen een locatie op enig moment meer handelingen plaatsvinden, worden de activiteiten van de radionucliden in de bij die handelingen betrokken radioactieve stoffen gewogen gesommeerd volgens de bij verordening van de Autoriteit aan te wijzen methode. Aan het tweede lid, onder a, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan 1 is.
5. Bij verordening van de Autoriteit kunnen handelingen met producten als bedoeld in artikel 24, onder b, worden aangewezen, waarbij de aan deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in het derde lid.
6. De verboden, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 23en 24, gelden niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
7. Bij verordening van de Autoriteit kunnen andere methoden worden aangewezen voor het bepalen en het toetsen van de schade in gevallen waarin de in het tweede lid bedoelde activiteitsconcentratie in combinatie met de in het tweede lid bedoelde activiteit geen juiste indicatie geeft van de schade die de bij de handeling betrokken radioactieve stoffen kunnen veroorzaken.
8. Bij regeling van Onze Minister kan in afwijking van het tweede lid, het eerste lid van toepassing worden verklaard in geval er sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers en leden van de bevolking.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid en in artikel 24, onder c, geldt niet indien binnen een locatie:
a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof lager is dan de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor vastgestelde waarde,
b. de activiteitsconcentratie van die stof lager is dan de krachtens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor vastgestelde waarde, of
c. een handeling wordt verricht met: 1°. een Nikkel-63 bron die onderdeel is van analyseapparatuur met een maximale activiteit van 1 GBq, of
2°. een meet-, regel- of ijkbron in een vaste opstelling met een activiteit van de gebruikte nuclide van minder dan 100 maal de activiteit van de krachtens artikel 3 daarvoor vastgestelde waarde.
1°. een Nikkel-63 bron die onderdeel is van analyseapparatuur met een maximale activiteit van 1 GBq, of
2°. een meet-, regel- of ijkbron in een vaste opstelling met een activiteit van de gebruikte nuclide van minder dan 100 maal de activiteit van de krachtens artikel 3 daarvoor vastgestelde waarde.
3. Indien een radioactieve stof meer soorten radionucliden bevat, wordt de activiteitsconcentratie van de radionucliden gewogen gesommeerd volgens de bij verordening van de Autoriteit aan te wijzen methode. Aan het tweede lid, onder b, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan 1 is.
4. Indien binnen een locatie op enig moment meer handelingen plaatsvinden, worden de activiteiten van de radionucliden in de bij die handelingen betrokken radioactieve stoffen gewogen gesommeerd volgens de bij verordening van de Autoriteit aan te wijzen methode. Aan het tweede lid, onder a, wordt voldaan indien de uitkomst van deze sommatie kleiner of gelijk aan 1 is.
5. Bij verordening van de Autoriteit kunnen handelingen met producten als bedoeld in artikel 24, onder b, worden aangewezen, waarbij de aan deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in het derde lid.
6. De verboden, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 23en 24, gelden niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
7. Bij verordening van de Autoriteit kunnen andere methoden worden aangewezen voor het bepalen en het toetsen van de schade in gevallen waarin de in het tweede lid bedoelde activiteitsconcentratie in combinatie met de in het tweede lid bedoelde activiteit geen juiste indicatie geeft van de schade die de bij de handeling betrokken radioactieve stoffen kunnen veroorzaken.
8. Bij regeling van Onze Minister kan in afwijking van het tweede lid, het eerste lid van toepassing worden verklaard in geval er sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers en leden van de bevolking.