BWBR0012645
Geldig vanaf 2002-03-15
Artikel 3a
Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
1. Artikel 2.2, derde lid, van de wetis van toepassing op een persoon die:
a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;
b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en
c. geen: 1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
2. Artikel 2.2, derde lid, van de wetis eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:
a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of
b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3. Artikel 2.2, derde lid, van de wetis eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag genoemd in artikel 4.6 van de weten voor zover het een leerling betreft als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de weteen bedrag ter grootte van eentwaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Les- en cursusgeldwet. Onze Minister verrekent het laatstgenoemde bedrag met de verschuldigde onderwijsbijdrage. Voor zover blijkt dat de onderwijsbijdrage reeds aan Onze Minister is betaald, wordt het bedrag door Onze Minister terugbetaald binnen 6 weken na het besluit, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van de wet.
5. In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.
6. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per schooljaar. Indien de aanspraak gedurende een schooljaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per schooljaar maal het aantal resterende maanden van dat schooljaar.
a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;
b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en
c. geen: 1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
2. Artikel 2.2, derde lid, van de wetis eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:
a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of
b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3. Artikel 2.2, derde lid, van de wetis eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag genoemd in artikel 4.6 van de weten voor zover het een leerling betreft als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de weteen bedrag ter grootte van eentwaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Les- en cursusgeldwet. Onze Minister verrekent het laatstgenoemde bedrag met de verschuldigde onderwijsbijdrage. Voor zover blijkt dat de onderwijsbijdrage reeds aan Onze Minister is betaald, wordt het bedrag door Onze Minister terugbetaald binnen 6 weken na het besluit, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van de wet.
5. In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.
6. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per schooljaar. Indien de aanspraak gedurende een schooljaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per schooljaar maal het aantal resterende maanden van dat schooljaar.