BWBR0012634
Geldig vanaf 2001-07-27
Artikel 18
Regeling aanvraag vergunning en uitvoering vergelijkende toets DVB-T
1. Nadat de vergelijkende toets heeft plaatsgevonden maakt de minister aan de aanvrager die het best voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 16, bekend, dat hij voornemens is hem voor te dragen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat als degene die in aanmerking komt voor de vergunning voor DVB-T.
2. De minister stelt de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, niet eerder in kennis van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, dan nadat ten minste vier weken zijn verstreken na de datum van verzending van de schriftelijke kennisgevingen, bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.
3. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, geeft binnen een termijn van een week aan of hij de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen aanvaardt.
4. Indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, de vergunning aanvaardt, wordt de vergunning op voordracht van de minister door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan hem verleend.
5. Indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, de vergunning niet aanvaardt, wordt de procedure bedoeld in het eerste tot en met vierde lid overeenkomstig toegepast op de eerstvolgende aanvrager die na de aanvrager die de vergunning niet aanvaardt, het best voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 16, en zonodig herhaald totdat een aanvrager de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen wel aanvaardt.
6. Nadat de vergunning aan de aanvrager is verleend, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de overige aanvragen af.
2. De minister stelt de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, niet eerder in kennis van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, dan nadat ten minste vier weken zijn verstreken na de datum van verzending van de schriftelijke kennisgevingen, bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.
3. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, geeft binnen een termijn van een week aan of hij de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen aanvaardt.
4. Indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, de vergunning aanvaardt, wordt de vergunning op voordracht van de minister door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan hem verleend.
5. Indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, de vergunning niet aanvaardt, wordt de procedure bedoeld in het eerste tot en met vierde lid overeenkomstig toegepast op de eerstvolgende aanvrager die na de aanvrager die de vergunning niet aanvaardt, het best voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 16, en zonodig herhaald totdat een aanvrager de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen wel aanvaardt.
6. Nadat de vergunning aan de aanvrager is verleend, wijst de Minister van Verkeer en Waterstaat de overige aanvragen af.