BWBR0012613
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 3
Besluit rechtspositie leden van centrale directies en van colleges van bestuur van hogescholen
1. Het salaris dat aan een lid van de centrale directie onderscheidenlijk van het college van bestuur wordt toegekend, bedraagt niet meer dan het salaris overeenkomstig het maximum van schaal 18 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
2. Aan een lid van de centrale directie onderscheidenlijk van het college van bestuur kan naast het salaris een toelage worden toegekend, indien hij is benoemd of aangesteld voor een periode van ten hoogste 4 jaren. Artikel 668a, eerste en tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekis in dat geval niet van toepassing.
3. Het salaris en de toelage worden door het bevoegd gezag vastgesteld en toegekend. Zij vormen tezamen de bezoldiging.
4. Indien een salaris is toegekend overeenkomstig het maximum van schaal 18 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984en de toelage, bedoeld in het tweede lid, meer bedraagt dan 10% van dat salaris, gaat de aanspraak van betrokkene op een werkloosheidsuitkering die hij gehad zou hebben op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, zoals dat luidde op 30 juni 2001, niet te boven, behoudens het vijfde en zesde lid.
5. Indien het bedrag van de aanspraak die betrokkene zou hebben gehad met toepassing van Hoofdstuk II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, zoals dat luidde op 30 juni 2001, lager is dan het bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van het aantal gewogen dienstjaren van betrokkene met de ingevolge het derde lid toegekende bezoldiging, wordt laatstbedoeld bedrag gehanteerd bij het bepalen van de hoogte van het desbetreffende gedeelte van de in het vierde lid bedoelde aanspraak.
6. Voor de berekening van het aantal gewogen dienstjaren van de betrokkene, bedoeld in het vijfde lid, worden de dienstjaren tot en met het 40e levensjaar, de dienstjaren tussen het 40e en het 50e levensjaar en de dienstjaren vanaf het 50e levensjaar vermenigvuldigd met respectievelijk de factor 1, 1,5 en 2.
2. Aan een lid van de centrale directie onderscheidenlijk van het college van bestuur kan naast het salaris een toelage worden toegekend, indien hij is benoemd of aangesteld voor een periode van ten hoogste 4 jaren. Artikel 668a, eerste en tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekis in dat geval niet van toepassing.
3. Het salaris en de toelage worden door het bevoegd gezag vastgesteld en toegekend. Zij vormen tezamen de bezoldiging.
4. Indien een salaris is toegekend overeenkomstig het maximum van schaal 18 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984en de toelage, bedoeld in het tweede lid, meer bedraagt dan 10% van dat salaris, gaat de aanspraak van betrokkene op een werkloosheidsuitkering die hij gehad zou hebben op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, zoals dat luidde op 30 juni 2001, niet te boven, behoudens het vijfde en zesde lid.
5. Indien het bedrag van de aanspraak die betrokkene zou hebben gehad met toepassing van Hoofdstuk II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, zoals dat luidde op 30 juni 2001, lager is dan het bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van het aantal gewogen dienstjaren van betrokkene met de ingevolge het derde lid toegekende bezoldiging, wordt laatstbedoeld bedrag gehanteerd bij het bepalen van de hoogte van het desbetreffende gedeelte van de in het vierde lid bedoelde aanspraak.
6. Voor de berekening van het aantal gewogen dienstjaren van de betrokkene, bedoeld in het vijfde lid, worden de dienstjaren tot en met het 40e levensjaar, de dienstjaren tussen het 40e en het 50e levensjaar en de dienstjaren vanaf het 50e levensjaar vermenigvuldigd met respectievelijk de factor 1, 1,5 en 2.