BWBR0012585
Geldig vanaf 2001-06-20
Artikel 2
Regeling herstelmaatregelen heek 2001
1. Het is verboden:
a. in de gebieden, genoemd in artikel 6, eerste lid, van de verordening sleepnetten met een maaswijdte van 70 mm tot 90 mm aan boord te houden of te gebruiken;
b. in de gebieden, genoemd in artikel 5, eerste lid, van de verordening bodemtrawls als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening aan boord te houden of te gebruiken; tenzij dit vistuig is geborgen overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261).
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op vissersvaartuigen waar een waarnemer als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de verordening aan boord is gedurende de gehele visreis, of
b. indien met het desbetreffende vissersvaartuig vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling vijf visreizen, in het geval van visserij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tien visreizen, in het geval van visserij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn gemaakt met een waarnemer aan boord.
3. De in het vorige lid bedoelde waarnemer handelt overeenkomst artikel 6, vierde lid, van de verordening.
4. De kapitein van een vissersvaartuig die voornemens is de visserij uit te oefenen in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, met het in dat artikellid genoemde vistuig:
a. meldt zich ten minste twee werkdagen voor aanvang van de visreis bij de Directeur Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten behoeve van het toewijzen van een waarnemer als bedoeld in het derde lid en
b. handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de verordening.
a. in de gebieden, genoemd in artikel 6, eerste lid, van de verordening sleepnetten met een maaswijdte van 70 mm tot 90 mm aan boord te houden of te gebruiken;
b. in de gebieden, genoemd in artikel 5, eerste lid, van de verordening bodemtrawls als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening aan boord te houden of te gebruiken; tenzij dit vistuig is geborgen overeenkomstig artikel 20, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 261).
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op vissersvaartuigen waar een waarnemer als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de verordening aan boord is gedurende de gehele visreis, of
b. indien met het desbetreffende vissersvaartuig vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling vijf visreizen, in het geval van visserij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tien visreizen, in het geval van visserij als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn gemaakt met een waarnemer aan boord.
3. De in het vorige lid bedoelde waarnemer handelt overeenkomst artikel 6, vierde lid, van de verordening.
4. De kapitein van een vissersvaartuig die voornemens is de visserij uit te oefenen in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, met het in dat artikellid genoemde vistuig:
a. meldt zich ten minste twee werkdagen voor aanvang van de visreis bij de Directeur Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten behoeve van het toewijzen van een waarnemer als bedoeld in het derde lid en
b. handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de verordening.