BWBR0012579
Geldig vanaf 2001-08-01
Artikel 3
Besluit Stichting ICTU
1. De minister verstrekt een eenmalige overbruggingsbijdrage van f 6.500.000,- aan de stichting.
2. De stichting zal deze overbruggingsbijdrage gebruiken voor de (mede)financiering van de structurele exploitatiekosten van personele en materiele voorzieningen welke voor de oprichting van de stichting door het ministerie werden gefaciliteerd en waarin nu door de stichting zelf moet worden voorzien danwel van nieuwe personele en materiele voorzieningen welke noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de private rechtsvorm van de stichting en die vooralsnog niet ten laste van de door ICTU uit voeren programma's kunnen worden gebracht omdat met die exploitatiekosten bij de vaststelling van de programmabudgetten nog geen rekening is gehouden.
3. De overbruggingsbijdrage zal in drie jaarlijkse termijnen als voorschot worden verstrekt; te weten: f 3.500.000,- in 2001; f 2.000.000,- in 2002 en f 1.000.000,- in 2003.
4. Op de eerste termijn van deze overbruggingsbijdrage zullen in mindering worden gebracht de uitgaven die het ministerie in 2001 tot een nog nader te bepalen datum ten laste van de overbruggingsbijdrage reeds heeft gedaan en nog zal doen voor het in het tweede lid genoemde doel.
5. De door het ministerie voor het in het twee lid genoemde doel aangegane financiële verplichtingen welke nog doorlopen na de in het vierde lid genoemde, nog nader te bepalen datum, zullen per die datum door de stichting worden overgenomen en door de stichting ten laste van de overbruggingsbijdrage worden betaald, tenzij in overleg tussen de stichting en het ministerie wordt overeengekomen dat bepaalde doorlopende verplichtingen niet door de stichting zullen worden overgenomen maar nog door het ministerie ten laste van de overbruggingsbijdrage zullen worden betaald.
6. De stichting legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de overbruggingsbijdrage in de jaarstukken die de stichting op grond van artikel 13 van de statuten moet opmaken en ter goedkeuring aan de minister moet aanbieden.
7. Op basis van de in het zesde lid genoemde verantwoording zullen de jaartermijnen van de overbruggingsbijdrage definitief worden vastgesteld.
8. Indien de kosten van de in het tweede lid genoemde voorzieningen in 2001 lager zullen zijn dan f 3.500.000,- dan zal het niet benutte deel van de eerste termijn van de overbruggingsbijdrage in eerste instantie worden gebruikt om zonodig de in artikel 2 genoemde startbijdrage te verhogen. Indien daarna een deel van de eerste termijn van de overbruggingsbijdrage nog niet is benut, zal dat resterende deel worden toegevoegd aan de tweede termijn. Insgelijks zal indien in het daarop volgende jaar een deel van de tweede termijn van de overbruggingsbijdrage nog niet is benut, dat resterende deel worden toegevoegd aan de derde termijn.
9. In 2004 zal de overbruggingsbijdrage definitief worden vastgesteld. Indien daarbij blijkt dat de totale exploitatiekosten van de in het tweede lid genoemde voorzieningen in de jaren 2001 t/m 2003 minder bedragen dan het in het eerste lid genoemde bedrag, zal het deel van het totale voorschot over de jaren 2001 t/m 2003 dat teveel is betaald, door de stichting worden terug betaald aan het ministerie.
10. Op de verstrekking van de overbruggingsbijdrage zijn verder van toepassing de voorwaarden zoals die worden omschreven in de statuten van de stichting en in het Overdrachtsprotocol ten behoeve van de overgang van ICT-programma's en programmabureaus naar de Stichting ICTU dat zal worden afgesloten tussen de minister en de stichting.
2. De stichting zal deze overbruggingsbijdrage gebruiken voor de (mede)financiering van de structurele exploitatiekosten van personele en materiele voorzieningen welke voor de oprichting van de stichting door het ministerie werden gefaciliteerd en waarin nu door de stichting zelf moet worden voorzien danwel van nieuwe personele en materiele voorzieningen welke noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de private rechtsvorm van de stichting en die vooralsnog niet ten laste van de door ICTU uit voeren programma's kunnen worden gebracht omdat met die exploitatiekosten bij de vaststelling van de programmabudgetten nog geen rekening is gehouden.
3. De overbruggingsbijdrage zal in drie jaarlijkse termijnen als voorschot worden verstrekt; te weten: f 3.500.000,- in 2001; f 2.000.000,- in 2002 en f 1.000.000,- in 2003.
4. Op de eerste termijn van deze overbruggingsbijdrage zullen in mindering worden gebracht de uitgaven die het ministerie in 2001 tot een nog nader te bepalen datum ten laste van de overbruggingsbijdrage reeds heeft gedaan en nog zal doen voor het in het tweede lid genoemde doel.
5. De door het ministerie voor het in het twee lid genoemde doel aangegane financiële verplichtingen welke nog doorlopen na de in het vierde lid genoemde, nog nader te bepalen datum, zullen per die datum door de stichting worden overgenomen en door de stichting ten laste van de overbruggingsbijdrage worden betaald, tenzij in overleg tussen de stichting en het ministerie wordt overeengekomen dat bepaalde doorlopende verplichtingen niet door de stichting zullen worden overgenomen maar nog door het ministerie ten laste van de overbruggingsbijdrage zullen worden betaald.
6. De stichting legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de overbruggingsbijdrage in de jaarstukken die de stichting op grond van artikel 13 van de statuten moet opmaken en ter goedkeuring aan de minister moet aanbieden.
7. Op basis van de in het zesde lid genoemde verantwoording zullen de jaartermijnen van de overbruggingsbijdrage definitief worden vastgesteld.
8. Indien de kosten van de in het tweede lid genoemde voorzieningen in 2001 lager zullen zijn dan f 3.500.000,- dan zal het niet benutte deel van de eerste termijn van de overbruggingsbijdrage in eerste instantie worden gebruikt om zonodig de in artikel 2 genoemde startbijdrage te verhogen. Indien daarna een deel van de eerste termijn van de overbruggingsbijdrage nog niet is benut, zal dat resterende deel worden toegevoegd aan de tweede termijn. Insgelijks zal indien in het daarop volgende jaar een deel van de tweede termijn van de overbruggingsbijdrage nog niet is benut, dat resterende deel worden toegevoegd aan de derde termijn.
9. In 2004 zal de overbruggingsbijdrage definitief worden vastgesteld. Indien daarbij blijkt dat de totale exploitatiekosten van de in het tweede lid genoemde voorzieningen in de jaren 2001 t/m 2003 minder bedragen dan het in het eerste lid genoemde bedrag, zal het deel van het totale voorschot over de jaren 2001 t/m 2003 dat teveel is betaald, door de stichting worden terug betaald aan het ministerie.
10. Op de verstrekking van de overbruggingsbijdrage zijn verder van toepassing de voorwaarden zoals die worden omschreven in de statuten van de stichting en in het Overdrachtsprotocol ten behoeve van de overgang van ICT-programma's en programmabureaus naar de Stichting ICTU dat zal worden afgesloten tussen de minister en de stichting.