BWBR0012575
Geldig vanaf 2001-08-15
Artikel lV
Wijzigingswet Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en Waterschapswet (gedeputeerden, wethouders en waterschapsbestuurders)
1. Op een uitkering die op grond van een verordening als bedoeld in artikel 131 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragersis toegekend ter zake van een aftreden vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft die verordening van toepassing. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders kunnen echter die uitkering ten gunste van de belanghebbende herzien met toepassing van de bepalingen van de in de eerste volzin genoemde wet.
2. Een pensioen dat is toegekend op grond van een verordening als bedoeld in de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragerswordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschouwd als te zijn toegekend krachtens de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politiekeambtsdragers.
3. Het eerste en het tweede lid gelden overeenkomstig voor een uitkering of een pensioen, toegekend op grond van een verordening als bedoeld in artikel 44 van de Waterschapswet, zoals dat artikel luidde voor de wijziging ervan bij artikel III van deze wet.
2. Een pensioen dat is toegekend op grond van een verordening als bedoeld in de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragerswordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschouwd als te zijn toegekend krachtens de vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politiekeambtsdragers.
3. Het eerste en het tweede lid gelden overeenkomstig voor een uitkering of een pensioen, toegekend op grond van een verordening als bedoeld in artikel 44 van de Waterschapswet, zoals dat artikel luidde voor de wijziging ervan bij artikel III van deze wet.