BWBR0012534
Geldig vanaf 2001-06-16
Artikel 3
Nadere regels benoemingsperiode ambtenaren topmanagementgroep
1. Te rekenen vanaf de datum waarop de benoeming, hetzij door voortijdige beëindiging, hetzij van rechtswege, is geëindigd, worden door of namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gedurende een periode van 24 maanden inspanningen verricht om te komen tot een nieuwe benoeming van de ambtenaar. Gedurende die periode kunnen aan de ambtenaar door of namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdelijk andere werkzaamheden worden opdragen, zonder dat sprake is van een hernieuwde benoeming.
2. Binnen een maand na de in het eerste lid bedoelde datum kan de ambtenaar een aanvraag indienen om de termijn van 24 maanden met 6 maanden bekorten. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluit op die aanvraag. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd wordt de ambtenaar een vergoeding verleend ter grootte van zijn bezoldiging vermeerderd met de tegemoetkoming ingevolge het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel, waarop hij aanspraak zou hebben in de zes maanden waarmee de termijn van 24 maanden is bekort.
3. Wanneer de ambtenaar niet in een andere functie wordt benoemd, wordt hem aan het einde van de, eventueel bekorte, termijn van 24 maanden eervol ontslag worden verleend op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarbij hem een uitkering wordt toegekend die 110% bedraagt van hetgeen in artikel 99, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglementals minimumvoorziening is opgenomen.
2. Binnen een maand na de in het eerste lid bedoelde datum kan de ambtenaar een aanvraag indienen om de termijn van 24 maanden met 6 maanden bekorten. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluit op die aanvraag. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd wordt de ambtenaar een vergoeding verleend ter grootte van zijn bezoldiging vermeerderd met de tegemoetkoming ingevolge het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel, waarop hij aanspraak zou hebben in de zes maanden waarmee de termijn van 24 maanden is bekort.
3. Wanneer de ambtenaar niet in een andere functie wordt benoemd, wordt hem aan het einde van de, eventueel bekorte, termijn van 24 maanden eervol ontslag worden verleend op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarbij hem een uitkering wordt toegekend die 110% bedraagt van hetgeen in artikel 99, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglementals minimumvoorziening is opgenomen.