BWBR0012328
Geldig vanaf 2001-04-01
Artikel 3
Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. de totale capaciteit van de inrichting voor het reinigen en wassen groter is dan 25 000 kg per dag;
b. de individuele beladingscapaciteit van de opgestelde machines voor het reinigen groter is dan 50 kg;
c. in de inrichting een installatie aanwezig is, die geschikt is voor de verbranding van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;
d. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7 500 kW of meer;
e. in de inrichting textiel wordt geverfd;
f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van: 1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en
3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;
1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en
3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;
g. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde poetsdoeken, voorzover deze zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstof ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, worden gewassen of gereinigd, of
h. in de inrichting textiel wordt gereinigd of gewassen die met radioactiviteit is besmet;
i. indien de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.
a. de totale capaciteit van de inrichting voor het reinigen en wassen groter is dan 25 000 kg per dag;
b. de individuele beladingscapaciteit van de opgestelde machines voor het reinigen groter is dan 50 kg;
c. in de inrichting een installatie aanwezig is, die geschikt is voor de verbranding van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;
d. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7 500 kW of meer;
e. in de inrichting textiel wordt geverfd;
f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van: 1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en
3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;
1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en
3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;
g. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde poetsdoeken, voorzover deze zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstof ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, worden gewassen of gereinigd, of
h. in de inrichting textiel wordt gereinigd of gewassen die met radioactiviteit is besmet;
i. indien de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.