1. Indien op grond van de
WWof de
ZWten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht:
a. een boete zou zijn opgelegd van de eerste of tweede categorie, wordt op de bovenwettelijke uitkering respectievelijk de loonsuppletie een maatregel toegepast van 15% gedurende 2 weken;
b. een boete zou zijn opgelegd van de derde of vierde categorie, wordt op de bovenwettelijke uitkering respectievelijk de loonsuppletie een maatregel toegepast van 25% gedurende 4 weken;
c. een boete zou zijn opgelegd van de vijfde of een hogere categorie, wordt op de bovenwettelijke uitkering respectievelijk de loonsuppletie een maatregel toegepast van 30% gedurende 6 weken.
2. Bij de bepaling van de categorie van boete die zou zijn opgelegd, worden voor de berekening van het benadelingsbedrag de uitkering op grond van de
WWen de
ZWbuiten beschouwing gelaten en de bovenwettelijke uitkering en de loonsuppletie afzonderlijk van elkaar in aanmerking genomen.
3. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, gaan in bij het begin van de periode waarover de betrokkene ten aanzien van zijn bovenwettelijke uitkering respectievelijk loonsuppletie de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen. Betreft dit meerdere perioden, dan wordt het benadelingsbedrag over die perioden samengeteld en gaat de maatregel in bij het begin van de eerste van die perioden. Perioden waarover al een maatregel is opgelegd of een schriftelijke waarschuwing is gegeven of waarop artikel 4of artikel 5, eerste lid, van toepassing is, blijven daarbij buiten beschouwing.