BWBR0012285
Geldig vanaf 2001-03-16
Artikel 4
Besluit mandaat, volmacht en machtiging secretaris-generaal Verkeer en Waterstaat 2001
1. De secretaris-generaal kan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan:
a. de loco-secretaris-generaal;
b. een diensthoofd, of
c. een andere rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris.
2. Aan een functionaris, bedoeld in het eerste lid, die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, wordt slechts mandaat verleend wanneer de functie van deze functionaris is genoemd in de mandaatstructuur van het ministerie, wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
3. De secretaris-generaal kan instructies geven aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, omtrent de mate waarin en de wijze waarop gebruik dient te worden gemaakt van het aan hem verleende ondermandaat.
4. De secretaris-generaal kan bij de verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, toestaan dat deze vervolgens ondermandaat verleent aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris. Wanneer de functionaris, als bedoeld in het eerste lid, ondermandaat verleent aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
5. De secretaris-generaal kan bij de verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, toestaan dat deze vervolgens ondermandaat verleent aan niet rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen.
6. De secretaris-generaal kent aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, bij de toepassing van het vierde en vijfde lid, de bevoegdheid toe nadere instructies te geven aan een al dan niet rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris, omtrent de mate waarin en de wijze waarop deze met het hem verleende ondermandaat moet omgaan.
7. De secretaris-generaal kent aan de loco-secretaris-generaal de bevoegdheid toe nadere instructies te geven aan de hoofden van de - overeenkomstig de met de secretaris-generaal gemaakte afspraken - rechtstreeks onder hem ressorterende diensten als mede aan de hoofden van de rechtstreeks onder hem ressorterende organisatieonderdelen op centraal niveau omtrent de mate waarin en de wijze waarop dezen met het aan hen verleende mandaat moeten omgaan.
8. Besluiten van een functionaris als bedoeld in het eerste lid, tot verlening van het ondermandaat, bedoeld in het vierde en vijfde lid, alsmede een door een functionaris, bedoeld in het eerste lid, gegeven nadere instructie als bedoeld in het zesde en zevende lid, dienen ter goedkeuring aan de secretaris-generaal te worden voorgelegd.
a. de loco-secretaris-generaal;
b. een diensthoofd, of
c. een andere rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris.
2. Aan een functionaris, bedoeld in het eerste lid, die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, wordt slechts mandaat verleend wanneer de functie van deze functionaris is genoemd in de mandaatstructuur van het ministerie, wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
3. De secretaris-generaal kan instructies geven aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, omtrent de mate waarin en de wijze waarop gebruik dient te worden gemaakt van het aan hem verleende ondermandaat.
4. De secretaris-generaal kan bij de verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, toestaan dat deze vervolgens ondermandaat verleent aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris. Wanneer de functionaris, als bedoeld in het eerste lid, ondermandaat verleent aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
5. De secretaris-generaal kan bij de verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, toestaan dat deze vervolgens ondermandaat verleent aan niet rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen.
6. De secretaris-generaal kent aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, bij de toepassing van het vierde en vijfde lid, de bevoegdheid toe nadere instructies te geven aan een al dan niet rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris, omtrent de mate waarin en de wijze waarop deze met het hem verleende ondermandaat moet omgaan.
7. De secretaris-generaal kent aan de loco-secretaris-generaal de bevoegdheid toe nadere instructies te geven aan de hoofden van de - overeenkomstig de met de secretaris-generaal gemaakte afspraken - rechtstreeks onder hem ressorterende diensten als mede aan de hoofden van de rechtstreeks onder hem ressorterende organisatieonderdelen op centraal niveau omtrent de mate waarin en de wijze waarop dezen met het aan hen verleende mandaat moeten omgaan.
8. Besluiten van een functionaris als bedoeld in het eerste lid, tot verlening van het ondermandaat, bedoeld in het vierde en vijfde lid, alsmede een door een functionaris, bedoeld in het eerste lid, gegeven nadere instructie als bedoeld in het zesde en zevende lid, dienen ter goedkeuring aan de secretaris-generaal te worden voorgelegd.