BWBR0012273
Geldig vanaf 2001-03-02
Artikel 6
Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
1. De druppelgroottekarakteristieken worden op een afstand van 0,35 m of 0,50 m onder de uitstroomopening van de dop gemeten.
2. Tijdens het meten wordt een minimale meethoogte van 0,50 m boven het grondoppervlak aangehouden.
3. De doppen spuiten verticaal naar beneden.
4. De spuitkegel wordt in minimaal vijf banen gescand.
5. Het meetpatroon is zodanig ingericht dat de banen gelijkmatig zijn verdeeld over de breedte van de kegel en evenwijdig lopen aan de hoofdas van de elliptische doorsnede van de spuitkegel.
6. De middelste baan loopt door het centrum van de spuitkegel.
7. De banen bestrijken de hele horizontale kegeldoorsnede.
8. Indien het scannen baan voor baan wordt uitgevoerd vinden baanwisselingen buiten de spuitkegel plaats.
9. De horizontale scansnelheid is niet hoger dan 5% van de gemiddelde verticale druppelsnelheid op meethoogte.
10. Het meten wordt zodanig uitgevoerd dat een representatief deel van de spuitkegel wordt bemonsterd.
11. Aan het vereiste in het tiende lid is in elk geval voldaan indien per dop 10.000 druppels zijn gemeten.
12. Per dop wordt driemaal gemeten.
13. Het gemiddelde van de resultaten van de drie metingen wordt per druppelgroottekarakteristiek berekend en geldt als de waarde van de respectievelijke druppelgroottekarakteristieken.
14. Wanneer de meting van de druppelgroottekarakteristieken niet door het deskundig en onafhankelijk instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, is uitgevoerd, beoordeelt dat instituut de juistheid van de meting aan de hand van de overeenkomstig het vorige lid berekende waarden.
2. Tijdens het meten wordt een minimale meethoogte van 0,50 m boven het grondoppervlak aangehouden.
3. De doppen spuiten verticaal naar beneden.
4. De spuitkegel wordt in minimaal vijf banen gescand.
5. Het meetpatroon is zodanig ingericht dat de banen gelijkmatig zijn verdeeld over de breedte van de kegel en evenwijdig lopen aan de hoofdas van de elliptische doorsnede van de spuitkegel.
6. De middelste baan loopt door het centrum van de spuitkegel.
7. De banen bestrijken de hele horizontale kegeldoorsnede.
8. Indien het scannen baan voor baan wordt uitgevoerd vinden baanwisselingen buiten de spuitkegel plaats.
9. De horizontale scansnelheid is niet hoger dan 5% van de gemiddelde verticale druppelsnelheid op meethoogte.
10. Het meten wordt zodanig uitgevoerd dat een representatief deel van de spuitkegel wordt bemonsterd.
11. Aan het vereiste in het tiende lid is in elk geval voldaan indien per dop 10.000 druppels zijn gemeten.
12. Per dop wordt driemaal gemeten.
13. Het gemiddelde van de resultaten van de drie metingen wordt per druppelgroottekarakteristiek berekend en geldt als de waarde van de respectievelijke druppelgroottekarakteristieken.
14. Wanneer de meting van de druppelgroottekarakteristieken niet door het deskundig en onafhankelijk instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, is uitgevoerd, beoordeelt dat instituut de juistheid van de meting aan de hand van de overeenkomstig het vorige lid berekende waarden.