BWBR0012222
Geldig vanaf 2001-03-30
Artikel 7
Besluit bijzondere militaire pensioenen
1. De nabestaanden van de militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV, de nabestaanden van een rechthebbende op verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge artikel 3, vijfde lid, van dat besluitof van een militair of gewezen militair die, ware hij niet overleden, recht op een zodanig pensioen zou hebben kunnen doen gelden, hebben, indien diens overlijden in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, te rekenen van de dag volgende op dat overlijden recht op tijdelijk partner- of wezenpensioen.
2. De in het eerste lid bedoelde tijdelijke pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld.
3. Het recht op pensioen ingevolge dit artikel vervalt:
a. indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge artikel 6 recht heeft op een hoger pensioen en
b. met ingang van de dag waarop de militair aan wiens overlijden het wordt ontleend de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel b, vervalt het recht op tijdelijk verhoogd partner- of wezenpensioen voor de nabestaanden van de militair met ingang van de dag waarop de militair aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt indien de militair voor 1 januari 2017 is overleden of de militair een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 39a, eerste tot en met vierde lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
2. De in het eerste lid bedoelde tijdelijke pensioenen worden afgeleid van een invaliditeitspensioen zoals dat, zonder toepassing van de in het tweede en derde lid van artikel 2bedoelde kortingen en zonder de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel 3, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 90,02 procent ingevolge dit besluit kan worden vastgesteld.
3. Het recht op pensioen ingevolge dit artikel vervalt:
a. indien de belanghebbende uit hoofde van dezelfde dienstverhouding ingevolge artikel 6 recht heeft op een hoger pensioen en
b. met ingang van de dag waarop de militair aan wiens overlijden het wordt ontleend de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel b, vervalt het recht op tijdelijk verhoogd partner- of wezenpensioen voor de nabestaanden van de militair met ingang van de dag waarop de militair aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt indien de militair voor 1 januari 2017 is overleden of de militair een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 39a, eerste tot en met vierde lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.