BWBR0012216
Geldig vanaf 01-01-2026
Artikel 23
Besluit financiële verhouding 2001
1. Een gemeente heeft een aanmerkelijk en structureel tekort als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, indien:
a. het tekort van de gemeente groter of gelijk is aan 2% van de som van: 1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
b. de gemeente in het eerste jaar van aanvraag aannemelijk kan maken dat het tekort zich over het begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren uitstrekt.
2. De belastingcapaciteit wordt bepaald op grond van maatstaf 1, 2 en 3 van bijlage 2 bij dit besluit en de daarbij behorende bedragen per eenheid.
3. Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.
a. het tekort van de gemeente groter of gelijk is aan 2% van de som van: 1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
b. de gemeente in het eerste jaar van aanvraag aannemelijk kan maken dat het tekort zich over het begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren uitstrekt.
2. De belastingcapaciteit wordt bepaald op grond van maatstaf 1, 2 en 3 van bijlage 2 bij dit besluit en de daarbij behorende bedragen per eenheid.
3. Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.
- Citeren als
- Art. 23
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012216
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl