BWBR0012188
Geldig vanaf 2001-02-14
Artikel II
Wijzigingswet Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen)
1. Gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de werkzame stof of stoffen in de bijlage bij deze wet zijn opgenomen, zijn een gewasbeschermingsmiddel in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962en zijn, in afwijking van de bij of krachtens de artikelen 3en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962gestelde regelen of beginselen inzake de toelatingscriteria, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten negende en ten tiende, van voornoemde wet, en artikel 4, eerste lid, van voornoemde wet, van rechtswege toegelaten in de zin van die wet voor de in de bijlage vermelde doeleinden voor een periode die eindigt met ingang van 1 juli 2001, met dien verstande dat artikel 25c, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962van overeenkomstige toepassing is.
2. Indien vóór 1 juli 2001 een volledige aanvraag tot toelating op grond van artikel 25c van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962is ingediend met overlegging van de vereiste gegevens en indien aan de overige bij of krachtens artikel 4 van die wetgestelde regels is voldaan, eindigt de in het eerste lid bedoelde periode van toelating met ingang van 1 juli 2002 of zoveel eerder als omtrent de aanvraag een beslissing is genomen.
3. Met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde gewasbeschermingsmiddelen is het, onverminderd het in de bijlage bepaalde met betrekking tot de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt, verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962gegeven voorschriften zoals deze golden tot het moment van beëindiging van de toelating en met de krachtens artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962gegeven voorschriften.
4. Ter uitvoering van een communautaire maatregel wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 5en 7, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, een toelating, bedoeld in het eerste of tweede lid, ingetrokken of worden de voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die wetgewijzigd.
5. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij doet mededeling in de Staatscourant van:
a. het vervallen van een toelating als bedoeld in het eerste lid, indien niet voldaan is aan het tweede lid;
b. de toelating van rechtswege, indien aan het tweede lid is voldaan;
c. een communautaire maatregel als bedoeld in het vierde lid, de gevolgen daarvan en het tijdstip waarop deze gevolgen intreden.
6. Op gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de werkzame stof door Onze betrokken Minister is aangewezen, is dit artikel voor de bij die aanwijzing vermelde doeleinden van overeenkomstige toepassing. Voor aanwijzing komen uitsluitend in aanmerking werkzame stoffen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen en doeleinden daarvan ten aanzien waarvan zich een situatie als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, onderdeel a, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962naar de mening van Onze betrokken Minister voor kan doen, met dien verstande dat artikel 25c, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962van overeenkomstige toepassing is.
2. Indien vóór 1 juli 2001 een volledige aanvraag tot toelating op grond van artikel 25c van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962is ingediend met overlegging van de vereiste gegevens en indien aan de overige bij of krachtens artikel 4 van die wetgestelde regels is voldaan, eindigt de in het eerste lid bedoelde periode van toelating met ingang van 1 juli 2002 of zoveel eerder als omtrent de aanvraag een beslissing is genomen.
3. Met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde gewasbeschermingsmiddelen is het, onverminderd het in de bijlage bepaalde met betrekking tot de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt, verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962gegeven voorschriften zoals deze golden tot het moment van beëindiging van de toelating en met de krachtens artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962gegeven voorschriften.
4. Ter uitvoering van een communautaire maatregel wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 5en 7, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, een toelating, bedoeld in het eerste of tweede lid, ingetrokken of worden de voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die wetgewijzigd.
5. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij doet mededeling in de Staatscourant van:
a. het vervallen van een toelating als bedoeld in het eerste lid, indien niet voldaan is aan het tweede lid;
b. de toelating van rechtswege, indien aan het tweede lid is voldaan;
c. een communautaire maatregel als bedoeld in het vierde lid, de gevolgen daarvan en het tijdstip waarop deze gevolgen intreden.
6. Op gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de werkzame stof door Onze betrokken Minister is aangewezen, is dit artikel voor de bij die aanwijzing vermelde doeleinden van overeenkomstige toepassing. Voor aanwijzing komen uitsluitend in aanmerking werkzame stoffen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen en doeleinden daarvan ten aanzien waarvan zich een situatie als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, onderdeel a, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962naar de mening van Onze betrokken Minister voor kan doen, met dien verstande dat artikel 25c, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962van overeenkomstige toepassing is.