BWBR0012182
Geldig vanaf 2014-02-10
Artikel 5
Regeling uitvoering Besluit typekeuring luchtverontreiniging motoren voor mobiele machines
1. Een typegoedkeuring voor een motor met compressieontsteking als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 97/68 wordt geweigerd indien de motor niet voldoet aan de eisen, bedoeld in richtlijn 97/68, waaronder in ieder geval worden verstaan de grenswaarden, bedoeld in artikel 9 van die richtlijn in samenhang met bijlage I bij die richtlijn.
2. Een typegoedkeuring voor een motor met elektrische ontsteking als bedoeld in artikel 9bis van richtlijn 97/68 wordt geweigerd indien de motor niet voldoet aan de eisen, bedoeld in richtlijn 97/68, waaronder in ieder geval worden verstaan de grenswaarden, bedoeld in artikel 9bis van die richtlijn in samenhang met bijlage I bij die richtlijn.
3. Voor de toepassing van het eerste lid voldoet een hulpmotor van binnenschepen met een vermogen van meer dan 560 kW aan dezelfde eisen als voortstuwingsmotoren.
4. In afwijking van het eerste lid wordt voor een ruilmotor, niet zijnde een ruilmotor voor een motortreinstel, locomotief of binnenschip, een typegoedkeuring verleend, indien de motor voldoet aan de grenswaarden die ingevolge richtlijn 97/68 golden op het moment dat de te vervangen motor in de handel werd gebracht.
5. In afwijking van het eerste lid wordt voor een ruilmotor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de grenswaarden voldoet een typegoedkeuring verleend, indien:
a. in ieder geval: 1°. de ruilmotor voldoet aan de fase IIIA-norm;
2°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de fase III A-norm voldoet, of aan de fase III A-norm voldoet, maar niet voldoet aan de fase III B-norm, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden, of
1°. de ruilmotor voldoet aan de fase IIIA-norm;
2°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de fase III A-norm voldoet, of aan de fase III A-norm voldoet, maar niet voldoet aan de fase III B-norm, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden, of
b. in ieder geval: 1°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel zonder besturing dat niet in staat is zelfstandig te bewegen, en
2°. de ruilmotor ten minste voldoet aan een norm die niet minder streng is dan de norm waaraan motoren die gemonteerd zijn in bestaande motortreinstellen van hetzelfde type voldoen, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden.
1°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel zonder besturing dat niet in staat is zelfstandig te bewegen, en
2°. de ruilmotor ten minste voldoet aan een norm die niet minder streng is dan de norm waaraan motoren die gemonteerd zijn in bestaande motortreinstellen van hetzelfde type voldoen, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden.
2. Een typegoedkeuring voor een motor met elektrische ontsteking als bedoeld in artikel 9bis van richtlijn 97/68 wordt geweigerd indien de motor niet voldoet aan de eisen, bedoeld in richtlijn 97/68, waaronder in ieder geval worden verstaan de grenswaarden, bedoeld in artikel 9bis van die richtlijn in samenhang met bijlage I bij die richtlijn.
3. Voor de toepassing van het eerste lid voldoet een hulpmotor van binnenschepen met een vermogen van meer dan 560 kW aan dezelfde eisen als voortstuwingsmotoren.
4. In afwijking van het eerste lid wordt voor een ruilmotor, niet zijnde een ruilmotor voor een motortreinstel, locomotief of binnenschip, een typegoedkeuring verleend, indien de motor voldoet aan de grenswaarden die ingevolge richtlijn 97/68 golden op het moment dat de te vervangen motor in de handel werd gebracht.
5. In afwijking van het eerste lid wordt voor een ruilmotor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de grenswaarden voldoet een typegoedkeuring verleend, indien:
a. in ieder geval: 1°. de ruilmotor voldoet aan de fase IIIA-norm;
2°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de fase III A-norm voldoet, of aan de fase III A-norm voldoet, maar niet voldoet aan de fase III B-norm, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden, of
1°. de ruilmotor voldoet aan de fase IIIA-norm;
2°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel of locomotief die niet aan de fase III A-norm voldoet, of aan de fase III A-norm voldoet, maar niet voldoet aan de fase III B-norm, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden, of
b. in ieder geval: 1°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel zonder besturing dat niet in staat is zelfstandig te bewegen, en
2°. de ruilmotor ten minste voldoet aan een norm die niet minder streng is dan de norm waaraan motoren die gemonteerd zijn in bestaande motortreinstellen van hetzelfde type voldoen, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden.
1°. de ruilmotor dient ter vervanging van een motor voor een motortreinstel zonder besturing dat niet in staat is zelfstandig te bewegen, en
2°. de ruilmotor ten minste voldoet aan een norm die niet minder streng is dan de norm waaraan motoren die gemonteerd zijn in bestaande motortreinstellen van hetzelfde type voldoen, en
3°. het gebruik van een ruilmotor die voldoet aan de eisen van de meest recente toepasselijke emissiefase in het motortreinstel of de locomotief gepaard zal gaan met aanzienlijke technische moeilijkheden.