BWBR0012087
Geldig vanaf 2000-12-29
Artikel III
Wijzigingswet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, enz. (vrijwillige verzekering AWBZ)
1. In afwijking van artikel 32b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostengeschiedt aanmelding voor de vrijwillige verzekering van de in artikel 32a, eerste en tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenbedoelde personen, van wie de verzekering ingevolge artikel 5 van die wetis geëindigd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
2. De vrijwillige verzekering ingevolge Hoofdstuk IV van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostengaat voor de in het eerste lid bedoelde personen in op de dag volgend op die waarop de verzekering ingevolge artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenis geëindigd, doch niet vroeger dan 1 januari 2000.
3. In afwijking van artikel 25 van de Wet financiering volksverzekeringenzijn personen, bedoeld in het eerste lid, eerst premie verschuldigd met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
4. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid is overleden tussen 31 december 1999 en de datum van inwerkingtreding van deze wet, hebben diens erfgenamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ter zake van kosten van zorg als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, niet omvattende de intramurale zorg als bedoeld in de paragrafen 3, 4, 5, 6, en 7, van dat besluit, recht op een vergoeding ter zake van die kosten, voorzover de overledene op 31 december 1999, ingevolge artikel 34, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, van dat besluit, in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, voor rekening van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten die aanspraak had, en die zorg op een tijdstip gelegen uiterlijk op die dag is aangevangen. Artikel 34, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, is van overeenkomstige toepassing.
5. De erfgenamen, bedoeld in het vierde lid, wenden zich voor het tot gelding brengen van het recht op vergoeding, binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet tot de Sociale Verzekeringsbank. De Sociale Verzekeringsbank beoordeelt of de overledene tot de vrijwillige verzekering had kunnen toetreden indien hij nog had geleefd, met dien verstande dat bij die beoordeling artikel 32a, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenbuiten toepassing blijft. De Sociale Verzekeringsbank geeft aan de erfgenamen een verklaring af. Voor het verkrijgen van een vergoeding wenden de erfgenamen zich tot het uitvoeringsorgaan waarbij de overledene tot het overlijden als verzekerde was ingeschreven, onder overlegging van de door de SVB afgegeven verklaring.
2. De vrijwillige verzekering ingevolge Hoofdstuk IV van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostengaat voor de in het eerste lid bedoelde personen in op de dag volgend op die waarop de verzekering ingevolge artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenis geëindigd, doch niet vroeger dan 1 januari 2000.
3. In afwijking van artikel 25 van de Wet financiering volksverzekeringenzijn personen, bedoeld in het eerste lid, eerst premie verschuldigd met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
4. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid is overleden tussen 31 december 1999 en de datum van inwerkingtreding van deze wet, hebben diens erfgenamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ter zake van kosten van zorg als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, niet omvattende de intramurale zorg als bedoeld in de paragrafen 3, 4, 5, 6, en 7, van dat besluit, recht op een vergoeding ter zake van die kosten, voorzover de overledene op 31 december 1999, ingevolge artikel 34, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, van dat besluit, in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, voor rekening van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten die aanspraak had, en die zorg op een tijdstip gelegen uiterlijk op die dag is aangevangen. Artikel 34, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, is van overeenkomstige toepassing.
5. De erfgenamen, bedoeld in het vierde lid, wenden zich voor het tot gelding brengen van het recht op vergoeding, binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet tot de Sociale Verzekeringsbank. De Sociale Verzekeringsbank beoordeelt of de overledene tot de vrijwillige verzekering had kunnen toetreden indien hij nog had geleefd, met dien verstande dat bij die beoordeling artikel 32a, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenbuiten toepassing blijft. De Sociale Verzekeringsbank geeft aan de erfgenamen een verklaring af. Voor het verkrijgen van een vergoeding wenden de erfgenamen zich tot het uitvoeringsorgaan waarbij de overledene tot het overlijden als verzekerde was ingeschreven, onder overlegging van de door de SVB afgegeven verklaring.