BWBR0012072
Geldig vanaf 2001-02-01
Artikel D
Mededeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij inzake de Stimulans Duurzame Landbouw
1. Het opstellen voor het groeiseizoen van een gewasbeschermingsplan waarin staat vermeld:
a. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, en
b. het aantal toepassingen en de dosering van de gewasbeschermingsmiddelen.
2. Het gebruik van biologische bestrijding:
a. bij de appelteelt: voor de fruitspint en de roestmijt;
b. bij pereteelt: voor de perebladvlo, waarbij een gericht biologisch middel moet worden gebruikt en waarbij het gebruik van amitraz tegen perebladvlo maximaal 2 maal per jaar is toegestaan.
3. Het gebruik van Carpovirusine of fruitmotferomoonverwarring (RAK3) bij bestrijding van de fruitmot bij appelen en peren.
4. Het verbod op het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen onder windschermen, met uitzondering van, in de eerste twee jaar na aanplant, van windschermen die niet aan een watergang grenzen.
5. Het plaatsen van de eerste bomenrij onderscheidenlijk het staan van de eerste bomenrij op tenminste 6 meter afstand van de insteek van de sloot, tenzij een windscherm en een rijpad tussen de eerste bomenrij en de slootkant aanwezig is.
6. In afwijking van het bepaalde onder 5. mag een teeltvrije zone van drie meter worden aangehouden indien gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit of dwarsstroomspuit met reflectiescherm of een spuit met een potisch oog.
7. De naleving van het verbod op het toepassen van chemische grondontsmetting.
8. Het gebruik van een dwarsstroomspuit, axiaalspuit of tunnelspuit, waarbij in geval van aanschaf van nieuwe spuitapparatuur slechts een dwarsstroomspuit of tunnelspuit mag worden aangekocht;
9. Het gebruik van een gekeurde spuitmachine, waarbij de goedkeuring niet meer dan twee jaar geleden mag zijn uitgevoerd.
10. De aanwezigheid en het gebruik van een vul- en spoelplaats onderscheidenlijk het bestaan van een plan voor de aanleg van een vul- en spoelplaats, waarbij de vul- en spoelplaats voor het vullen en schoonmaken van een spuitmachine tenminste bestaat uit:
a. een vloeistofdichte vloer;
b. een opvangput;
c. een dompelpomp met vlotter;
d. een bovengrondse opslagtank, en
e. een overkapping.
11. De naleving van het verbod op het gebruik van PVC en andere gechloreerde verpakkingsmaterialen bij de verpakking van het fruit.
a. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, en
b. het aantal toepassingen en de dosering van de gewasbeschermingsmiddelen.
2. Het gebruik van biologische bestrijding:
a. bij de appelteelt: voor de fruitspint en de roestmijt;
b. bij pereteelt: voor de perebladvlo, waarbij een gericht biologisch middel moet worden gebruikt en waarbij het gebruik van amitraz tegen perebladvlo maximaal 2 maal per jaar is toegestaan.
3. Het gebruik van Carpovirusine of fruitmotferomoonverwarring (RAK3) bij bestrijding van de fruitmot bij appelen en peren.
4. Het verbod op het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen onder windschermen, met uitzondering van, in de eerste twee jaar na aanplant, van windschermen die niet aan een watergang grenzen.
5. Het plaatsen van de eerste bomenrij onderscheidenlijk het staan van de eerste bomenrij op tenminste 6 meter afstand van de insteek van de sloot, tenzij een windscherm en een rijpad tussen de eerste bomenrij en de slootkant aanwezig is.
6. In afwijking van het bepaalde onder 5. mag een teeltvrije zone van drie meter worden aangehouden indien gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit of dwarsstroomspuit met reflectiescherm of een spuit met een potisch oog.
7. De naleving van het verbod op het toepassen van chemische grondontsmetting.
8. Het gebruik van een dwarsstroomspuit, axiaalspuit of tunnelspuit, waarbij in geval van aanschaf van nieuwe spuitapparatuur slechts een dwarsstroomspuit of tunnelspuit mag worden aangekocht;
9. Het gebruik van een gekeurde spuitmachine, waarbij de goedkeuring niet meer dan twee jaar geleden mag zijn uitgevoerd.
10. De aanwezigheid en het gebruik van een vul- en spoelplaats onderscheidenlijk het bestaan van een plan voor de aanleg van een vul- en spoelplaats, waarbij de vul- en spoelplaats voor het vullen en schoonmaken van een spuitmachine tenminste bestaat uit:
a. een vloeistofdichte vloer;
b. een opvangput;
c. een dompelpomp met vlotter;
d. een bovengrondse opslagtank, en
e. een overkapping.
11. De naleving van het verbod op het gebruik van PVC en andere gechloreerde verpakkingsmaterialen bij de verpakking van het fruit.