BWBR0011955
Geldig vanaf 2001-01-31
Artikel 7
Kaderwet militaire pensioenen
1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid, zullen, zo nodig na een voorafgaande groepsgewijze buiten werking stelling als daar bedoeld, worden ingetrokken:
1°. Algemene militaire pensioenwet;
2°. Pensioenwet voor de landmacht 1922;
3°. Pensioenwet voor de zeemacht 1922;
4°. Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923;
5°. Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923;
6°. Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (Sb. 1949, J 344);
7°. Pensioenwet voor de vrijwilligers bij den landstorm 1925;
8°. Wet buitengewoon pensioen 1914–1918 (Sb. 1948, I 496);
9°. Wet van 4 november 1950 tot nadere vaststelling van de regelingen op het gebied van militaire pensioenen, welke gedurende de vijandelijke bezetting zijn uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van verschillende wetten, welke regelen geven inzake militair pensioen (Sb. 1950, K 479);
10°. Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956;
11°. Wet van 22 december 1938, tot regeling van de pensioenen voor officieren der Koninklijke marine-reserve, die zich – ter aanvulling van een bij de Koninklijke Marine bestaand tekort aan beroepsofficieren – krachtens een daartoe door hen gesloten vrijwillige verbintenis voor onbepaalden tijd in actieven dienst bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb. 1938, 504).
2. De artikelen 2, tweede lid, onderdeel f, 9, 16en 28 tot en met 31 van de Wet privatisering ABPvervallen met dien verstande, dat voor het buiten werking stellen of intrekken van het op artikel 28 van die wetsteunende Nabestaandenreglement militairen en het op artikel 31 daarvan steunende Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen dezelfde procedure zal gelden als voor de in het eerste lid genoemde wetten.
1°. Algemene militaire pensioenwet;
2°. Pensioenwet voor de landmacht 1922;
3°. Pensioenwet voor de zeemacht 1922;
4°. Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923;
5°. Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923;
6°. Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (Sb. 1949, J 344);
7°. Pensioenwet voor de vrijwilligers bij den landstorm 1925;
8°. Wet buitengewoon pensioen 1914–1918 (Sb. 1948, I 496);
9°. Wet van 4 november 1950 tot nadere vaststelling van de regelingen op het gebied van militaire pensioenen, welke gedurende de vijandelijke bezetting zijn uitgevaardigd, zomede nadere wijziging van verschillende wetten, welke regelen geven inzake militair pensioen (Sb. 1950, K 479);
10°. Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956;
11°. Wet van 22 december 1938, tot regeling van de pensioenen voor officieren der Koninklijke marine-reserve, die zich – ter aanvulling van een bij de Koninklijke Marine bestaand tekort aan beroepsofficieren – krachtens een daartoe door hen gesloten vrijwillige verbintenis voor onbepaalden tijd in actieven dienst bevinden, alsmede voor hunne weduwen en weezen (Stb. 1938, 504).
2. De artikelen 2, tweede lid, onderdeel f, 9, 16en 28 tot en met 31 van de Wet privatisering ABPvervallen met dien verstande, dat voor het buiten werking stellen of intrekken van het op artikel 28 van die wetsteunende Nabestaandenreglement militairen en het op artikel 31 daarvan steunende Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen dezelfde procedure zal gelden als voor de in het eerste lid genoemde wetten.