BWBR0011949
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 1
Mandaatbesluit Centrum Maatwerk Administraties BV
1. De statutair directeuren van het Centrum Maatwerk Administraties BV, hierna te noemen CMA, zijn ieder voor zich bevoegd om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen ter uitvoering van de pensioenvoorziening in de hieronder genoemde regelingen:
a. de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
b. de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement;
c. de Wet Nationale ombudsman;
d. de Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba (Stb.1990,15);
e. de Pensioenvervangende gratificaties, overeenkomstig de pensioenaanspraken van het overheidspersoneel;
f. de Surinaamse Pensioenverordening 1932 (Gouvernementsblad 1933, 46);
g. de Gratificatie ter vervanging van pensioen, toegekend krachtens de Pensioenwet voor de landmacht;
h. de Aanvullende pensioenvoorziening op basis van het pensioenreglement van de Stichting ABP.
2. De bevoegdheid om besluiten te nemen ter uitvoering van de genoemde regelingen omvat het toekennen, weigeren, intrekken terug- of invorderen, alsmede het ambtshalve herzien, wijzigen of herstellen van uitkeringen.
3. Bij het terug- of invorderen van uitkeringen wordt het binnen de Stichting Pensioenfonds ABP gehanteerde beleid overeenkomstig toegepast.
4. De statutair directeuren kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid ondermandaat verlenen aan onder hen ressorterende functionarissen.
a. de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
b. de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement;
c. de Wet Nationale ombudsman;
d. de Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba (Stb.1990,15);
e. de Pensioenvervangende gratificaties, overeenkomstig de pensioenaanspraken van het overheidspersoneel;
f. de Surinaamse Pensioenverordening 1932 (Gouvernementsblad 1933, 46);
g. de Gratificatie ter vervanging van pensioen, toegekend krachtens de Pensioenwet voor de landmacht;
h. de Aanvullende pensioenvoorziening op basis van het pensioenreglement van de Stichting ABP.
2. De bevoegdheid om besluiten te nemen ter uitvoering van de genoemde regelingen omvat het toekennen, weigeren, intrekken terug- of invorderen, alsmede het ambtshalve herzien, wijzigen of herstellen van uitkeringen.
3. Bij het terug- of invorderen van uitkeringen wordt het binnen de Stichting Pensioenfonds ABP gehanteerde beleid overeenkomstig toegepast.
4. De statutair directeuren kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid ondermandaat verlenen aan onder hen ressorterende functionarissen.