BWBR0011905
Geldig vanaf 2000-12-15
Artikel 3
Tijdelijke regeling verbod dierlijke eiwitten in alle diervoeders landbouwhuisdieren
1. Onverminderd artikel 2is het vanaf 1 januari 2001 verboden
a. verwerkte dierlijke eiwitten te vervoederen aan landbouwhuisdieren.
b. verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren, buiten of binnen Nederland te brengen.
c. verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor andere doeleinden dan vervoedering aan landbouwhuisdieren, buiten of binnen Nederland te brengen, tenzij wordt voldaan aan artikel 3 van de beschikking, met inachtneming van het vijfde en zesde lid van dat artikel.
d. vismeel, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, dicalciumfosfaat, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, en gehydroliseerde eiwitten, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, buiten of binnen Nederland te brengen, tenzij zij voldoen aan bijlage 1, bijlage 2, onderscheidenlijk bijlage 3, van de beschikking en het bovengenoemde dicalciumfosfaat en de gehydroliseerde eiwitten vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat als bedoeld in bijlage 4 van de beschikking.
e. verwerkte dierlijke eiwitten voorhanden of in voorraad te hebben op bedrijven waar landbouwhuisdieren worden gehouden alsmede op bedrijven die diervoeders voor landbouwhuisdieren vervaardigen, verhandelen, op- of overslaan.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is tot 1 maart 2001 vrijgesteld de houder of eigenaar van verwerkte dierlijke eiwitten, die ten genoege van Onze Minister aan de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangeeft de aard, hoeveelheid en locatie van de aanwezige verwerkte dierlijke eiwitten en terstond wijzigingen in aard, hoeveelheid en locatie aan voornoemde Rijksdienst meedeelt.
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e gelden niet voor de in artikel 2, tweede lid, genoemde dierlijke eiwitten.
4. De onderdelen b, c en d van het eerste lid gelden onverminderd de hoofdstukken 2 en, voor zover van toepassing, 11A van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.
a. verwerkte dierlijke eiwitten te vervoederen aan landbouwhuisdieren.
b. verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor vervoedering aan landbouwhuisdieren, buiten of binnen Nederland te brengen.
c. verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor andere doeleinden dan vervoedering aan landbouwhuisdieren, buiten of binnen Nederland te brengen, tenzij wordt voldaan aan artikel 3 van de beschikking, met inachtneming van het vijfde en zesde lid van dat artikel.
d. vismeel, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, dicalciumfosfaat, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, en gehydroliseerde eiwitten, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, buiten of binnen Nederland te brengen, tenzij zij voldoen aan bijlage 1, bijlage 2, onderscheidenlijk bijlage 3, van de beschikking en het bovengenoemde dicalciumfosfaat en de gehydroliseerde eiwitten vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat als bedoeld in bijlage 4 van de beschikking.
e. verwerkte dierlijke eiwitten voorhanden of in voorraad te hebben op bedrijven waar landbouwhuisdieren worden gehouden alsmede op bedrijven die diervoeders voor landbouwhuisdieren vervaardigen, verhandelen, op- of overslaan.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is tot 1 maart 2001 vrijgesteld de houder of eigenaar van verwerkte dierlijke eiwitten, die ten genoege van Onze Minister aan de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangeeft de aard, hoeveelheid en locatie van de aanwezige verwerkte dierlijke eiwitten en terstond wijzigingen in aard, hoeveelheid en locatie aan voornoemde Rijksdienst meedeelt.
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e gelden niet voor de in artikel 2, tweede lid, genoemde dierlijke eiwitten.
4. De onderdelen b, c en d van het eerste lid gelden onverminderd de hoofdstukken 2 en, voor zover van toepassing, 11A van de Regeling keuring en handel dierlijke producten.