BWBR0011677
Geldig vanaf 2000-10-21
Artikel 10
Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs
1. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9afwijzend wordt beslist het advies in van de Adviescommissie projecten ondernemerschap en onderwijs.
2. De commissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zal worden uitgevoerd.
3. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt, de aanvragen waarover zij positief adviseert zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate:
a. het meer bijdraagt aan de bevordering van het ondernemerschap;
b. de voorbeeldwerking groter is.
4. Voor de rangschikking door de commissie wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
2. De commissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zal worden uitgevoerd.
3. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt, de aanvragen waarover zij positief adviseert zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate:
a. het meer bijdraagt aan de bevordering van het ondernemerschap;
b. de voorbeeldwerking groter is.
4. Voor de rangschikking door de commissie wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.