1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van feiten strafbaar gesteld bij verordeningen van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland en burgemeesters en wethouders van de gemeenten die deelnemer zijn aan de gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond en feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de in
artikel 1a van de Wet op de economische delictengenoemde wetten met uitzondering van de artikelen 47 en 48, tweede lid
Wet vervoer gevaarlijke stoffenen de in
artikelen 26,
33en
34 van de Wet op de economische delictengenoemde strafbare feiten.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd tot het opsporen van feiten strafbaar gesteld bij:
a. de Wet op de ruimtelijke ordening;
b. de Woningwet;
c. de Wet milieugevaarlijke stoffen;
d. het Wetboek van Strafrecht, artt. 161quater, 161quinquies, 173, 173a, 173b, 174, 175, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 193, 198, 199, 200, 225, 285, 326, 435, onder ten vierde, en 461;
e. de bijzondere wetten of verordeningen, waarvoor hij na inwerkingtreding van dit besluit is aangewezen door de bevoegde minister of instantie;
f. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
3. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de provincie Zuid-Holland.