BWBR0011339
Geldig vanaf 2000-05-27
Artikel 5
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar KLPD 2000
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, ten tweede, kan gebruik maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaaris van toepassing.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar genoemd in artikel 1, onderdeel d, ten tweede, kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar toegerust zijn met:
a. een korte wapenstok van een door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
b. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, en
c. handboeien van een door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar genoemd in artikel 1, onderdeel d, ten tweede, kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar toegerust zijn met:
a. een korte wapenstok van een door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
b. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, en
c. handboeien van een door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type.