BWBR0011235
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 2
Regeling aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel
1. Tot de categorie van vreemdelingen, bedoeld in artikel 6 van het besluit, behoort de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000onder een beperking die samenhangt met:
a. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
b. studie;
c. seizoenarbeid;
d. lerend werken;
e. arbeid in loondienst;
f. grensoverschrijdende dienstverlening;
g. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
h. arbeid als kennismigrant;
i. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
j. wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289);
k. arbeid als zelfstandige;
l. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
m. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
n. medische behandeling;
o. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
p. tijdelijke humanitaire gronden;
q. het doorbrengen van verlof in Nederland;
r. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
s. het afwachten van herstel van medische behandeling;
t. verblijfsrecht op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
2. Tot de categorie van vreemdelingen, bedoeld in artikel 6 van het besluit, behoren tevens de partner van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, en hun kinderen, die met de vreemdeling naar Nederland zijn gekomen of die naar Nederland zijn gekomen om zich bij de vreemdeling te voegen.
a. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
b. studie;
c. seizoenarbeid;
d. lerend werken;
e. arbeid in loondienst;
f. grensoverschrijdende dienstverlening;
g. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
h. arbeid als kennismigrant;
i. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
j. wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289);
k. arbeid als zelfstandige;
l. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
m. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
n. medische behandeling;
o. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
p. tijdelijke humanitaire gronden;
q. het doorbrengen van verlof in Nederland;
r. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
s. het afwachten van herstel van medische behandeling;
t. verblijfsrecht op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
2. Tot de categorie van vreemdelingen, bedoeld in artikel 6 van het besluit, behoren tevens de partner van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, en hun kinderen, die met de vreemdeling naar Nederland zijn gekomen of die naar Nederland zijn gekomen om zich bij de vreemdeling te voegen.