BWBR0011077
Geldig vanaf 2000-01-22
Artikel 2
Mandaatbesluit Korps landelijke politiediensten
1. De korpschef is bevoegd tot het in naam van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitoefenen van het beheer van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Politiewet 1993, alsmede van de taken en bevoegdheden ten aanzien van de persoonsregistraties en politieregisters die bij het Korps landelijke politiediensten worden gevoerd, met uitzondering van hetgeen is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden met betrekking tot het beheer kunnen niet worden uitgeoefend ten aanzien van de korpschef, zijn plaatsvervanger, de divisiehoofden en de stafafdelingshoofden.
3. De korpschef kan ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan ambtenaren behorend tot het Korps landelijke politiediensten. Dit ondermandaat wordt schriftelijk verleend en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter kennis gebracht.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden met betrekking tot het beheer kunnen niet worden uitgeoefend ten aanzien van de korpschef, zijn plaatsvervanger, de divisiehoofden en de stafafdelingshoofden.
3. De korpschef kan ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan ambtenaren behorend tot het Korps landelijke politiediensten. Dit ondermandaat wordt schriftelijk verleend en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter kennis gebracht.