De minister kan op aanvraag van een gemeente een eenmalige subsidie vaststellen ter beëindiging van de verbintenissen jegens die gemeente die voortvloeien uit de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987.
1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig het tweede tot en met vierde lid vastgesteld.
2. De som van de contante waarden op 31 december 1999 van de bedragen die de minister na die datum krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 aan de subsidieaanvrager verschuldigd is geworden of verschuldigd zou worden, wordt vermeerderd met een rente van 5,75% per jaar te rekenen vanaf die datum tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
3. Het overeenkomstig het tweede lid berekende bedrag wordt verminderd met de in het tweede lid bedoelde bedragen die na 31 december 1999 zijn betaald, vermeerderd met een rente van 5,75% per jaar te rekenen vanaf de datum van betaling van de desbetreffende bedragen tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
4. Voor de berekening van de rentes, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.
1. Voor de toepassing van artikel 3wordt ten aanzien van de beschikkingen die betrekking hebben op een van de eerste tien jaren waarvoor geldelijke steun wordt vastgesteld, uitgegaan van het rendement dat voortvloeit uit de beschikking tot verlening van die geldelijke steun.
2. Voor de toepassing van artikel 3wordt ten aanzien van de beschikkingen die betrekking hebben op een later jaar dan bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van een rendement van 6%.
Voor de toepassing van artikel 3wordt de contante waarde berekend met een disconteringsrente van 5,75% per jaar, met dien verstande dat wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.
De subsidievaststelling heeft tot gevolg dat:
a. een verbintenis van het Rijk jegens de subsidieontvanger uit hoofde van geldelijke steun die verleend is krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 teniet gaat voorzover die betrekking heeft op bedragen als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
b. aanspraken van het Rijk op de subsidieontvanger als gevolg van herziening van beschikkingen op grond van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 vervallen, en
c. aanspraken van de subsidieontvanger op het Rijk als gevolg van herziening van beschikkingen op grond van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 vervallen.
De subsidieontvanger stelt de hoogte van een eenmalige subsidie ter beëindiging van zijn verbintenissen die voortvloeien uit de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 vast overeenkomstig de artikelen 3tot en met 5, met dien verstande dat de contante waarde berekend kan worden met een disconteringsrente van ten hoogste 6% per jaar.
De minister kan de beschikking tot subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling niet op de hoogte was en redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager zou zijn vastgesteld, of
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.
Een aanvraag voor subsidie wordt uiterlijk op 1 maart 2000 bij de minister ingediend, met gebruikmaking van een door de minister daartoe beschikbaar gesteld formulier.
1. Het subsidiebedrag wordt binnen dertien weken na de subsidievaststelling betaald.
2. De beschikking tot subsidievaststelling vermeldt de datum waarop het subsidiebedrag wordt betaald.