BWBR0010856
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 2
Besluit andere taken College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
Het college is belast met:
a. de beoordelingswerkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als autoriteit in het kader van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de gewasbeschermingsrichtlijn inzake het onderzoek van werkzame stoffen die bestanddeel waren van gewasbeschermingsmiddelen die op 25 juli 1993 reeds op de markt waren;
b. de met onderdeel a overeenkomende werkzaamheden, met dien verstande dat deze betrekking hebben op de beoordeling van werkzame stoffen als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de gewasbeschermingsrichtlijn;
c. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 12 van de gewasbeschermingsrichtlijn;
d. de beoordelingswerkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als autoriteit in het kader van een werkprogramma als bedoeld in artikel 16 van de biocidenrichtlijn voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen die op 14 mei 2000 reeds op de markt zijn als een werkzame stof van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, tweede lid, onderdelen c en d van de biocidenrichtlijn gedefinieerde;
e. de met onderdeel d overeenkomende werkzaamheden, met dien verstande dat deze betrekking hebben op de beoordeling van werkzame stoffen als bedoeld in artikel 11 van de biocidenrichtlijn;
f. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 18 van de biocidenrichtlijn;
g. de met de onderdelen a tot en met f samenhangende werkzaamheden;
h. het doen van voorstellen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het vaststellen van maximaal toelaatbare residulimieten (MRL's) voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld.
a. de beoordelingswerkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als autoriteit in het kader van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de gewasbeschermingsrichtlijn inzake het onderzoek van werkzame stoffen die bestanddeel waren van gewasbeschermingsmiddelen die op 25 juli 1993 reeds op de markt waren;
b. de met onderdeel a overeenkomende werkzaamheden, met dien verstande dat deze betrekking hebben op de beoordeling van werkzame stoffen als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de gewasbeschermingsrichtlijn;
c. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 12 van de gewasbeschermingsrichtlijn;
d. de beoordelingswerkzaamheden die voortvloeien uit de aanwijzing als autoriteit in het kader van een werkprogramma als bedoeld in artikel 16 van de biocidenrichtlijn voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen die op 14 mei 2000 reeds op de markt zijn als een werkzame stof van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, tweede lid, onderdelen c en d van de biocidenrichtlijn gedefinieerde;
e. de met onderdeel d overeenkomende werkzaamheden, met dien verstande dat deze betrekking hebben op de beoordeling van werkzame stoffen als bedoeld in artikel 11 van de biocidenrichtlijn;
f. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 18 van de biocidenrichtlijn;
g. de met de onderdelen a tot en met f samenhangende werkzaamheden;
h. het doen van voorstellen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het vaststellen van maximaal toelaatbare residulimieten (MRL's) voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld.