BWBR0010828
Geldig vanaf 1999-11-25
Artikel 2
Aanwijzing macro-verstrekkingenbudget ziekenfondsverzekering 2000
1. Het bedrag, genoemd in artikel 1, tweede volzin, wordt verdeeld in:
a. een macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel ad f 4.073.158.000,-;
b. een macro-deelbudget ziekenhuisverpleging vast ad f 9.718.881.000,-;
c. een macro-deelbudget specialistische hulp ad f 2.390.026.000,- ;
d. een macro-deelbudget overige verstrekkingen ad f 10.324.235.000,-.
2. Het College voor zorgverzekeringen (hierna aan te duiden als: het College) verdeelt de in het eerste lid genoemde macro-deelbudgetten volgens het derde tot en met achtste lid elk in deelbudgetten voor ieder ziekenfonds. De som van de aan elk ziekenfonds toegedeelde deelbudgetten wordt besteedbaar gesteld ten laste van de Algemene Kas, behoudens de geraamde opbrengsten van nominale rekenpremie en tweederde deel van de geraamde opbrengsten van verhaal. Het College stelt het budget voor elk ziekenfonds vast en geeft daarbij aan welk deel daarvan ten laste van de Algemene Kas besteedbaar is.
Verdeling van het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel
3. De verdeling van het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel, verminderd met een bedrag van f 2.892.000,- , geschiedt als volgt.
Het College verdeelt 30% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag op basis van de aantallen productie-indicatoren verpleegdag, opname, dagverpleging en eerste polikliniekbezoek in de periode van 1996 tot en met 1998, per verzekerdenjaar en per ziekenfonds. Het College kan bij de hiertoe te hanteren historische reeksen per ziekenfonds correctiegewichten toepassen voor verschuivingen van verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’ voor elk jaar in de periode van 1996 tot en met 1998, ten opzichte van het jaar 2000.
Het College verdeelt 70% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan de hand van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe, en gaat daarbij uit van de geraamde macro-omvang van de productie-indicatoren verpleegdag, opname, dagverpleging, en eerste polikliniekbezoek voor ziekenfondsverzekerden voor het jaar 2000, zoals weergegeven in Tabel 1, en de bijbehorende prijscomponenten zoals weergegeven in Tabel 2, en hanteert daarbij de correctiefactoren, zoals weergegeven in Tabel 3.
[tabel]
[tabel]
[tabel]
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 4.
[tabel]
Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, zoals opgenomen in Tabel 5.
[tabel]
De verdeling van het in de eerste volzin genoemde bedrag van f 2.892.000,- geschiedt naar rato van de omvang van het voor ieder ziekenfonds ingevolge dit artikellid berekende deelbudget ziekenhuisverpleging variabel.
4. Het College verdeelt het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging vast in deelbudgetten voor elk ziekenfonds op basis van de totale historische kosten ziekenhuisverpleging in het jaar 1998 per verzekerde per ziekenfonds.
5. Het College verdeelt het macro-deelbudget specialistische hulp op basis van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe.
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 6.
[tabel]
Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, zoals opgenomen in Tabel 7.
[tabel]
6. Het College verdeelt 30% van het macro-deelbudget overige verstrekkingen op basis van de historische kosten van overige verstrekkingen in de periode van 1996 tot en met 1998, per verzekerdenjaar per ziekenfonds. Het College kan bij de hiertoe te hanteren historische kostenreeksen per ziekenfonds correctiegewichten hanteren voor verschuivingen van verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’ per jaar in de periode van 1996 tot en met 1998 ten opzichte van het jaar 2000.
Het College verdeelt 70% van het macro-deelbudget overige verstrekkingen aan de hand van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe, en gaat daarbij uit van de correctiefactoren, zoals weergegeven in Tabel 8.
[tabel]
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 4. Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, gebruikt zoals opgenomen in Tabel 9.
[tabel]
7. Het College past een inschaling toe op de in de tabellen 4 tot en met 7, en 9 opgenomen gewichten betreffende de toepassing van de criteria ’verzekerdenaantallen naar verzekeringsgrond’ en ’verzekerdenaantallen naar regio’ op basis van de haar ter beschikking staande gegevens, naar het totale ziekenfondsverzekerdenbestand. Het College stelt per macro-deelbudget de gewichten van de in de eerste volzin genoemde criteria vast.
8. Bij de bepaling van het aantal ingeschreven verzekerden laat het College de inschrijving buiten beschouwing van verzekerden voor wier kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge artikel 5ten laste van de Algemene Kas middelen besteedbaar worden gesteld naar het werkelijke bedrag van die kosten. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op inschrijvingen met terugwerkende kracht, voorzover het betreft de periode waarover die inschrijvingen terugwerken.
a. een macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel ad f 4.073.158.000,-;
b. een macro-deelbudget ziekenhuisverpleging vast ad f 9.718.881.000,-;
c. een macro-deelbudget specialistische hulp ad f 2.390.026.000,- ;
d. een macro-deelbudget overige verstrekkingen ad f 10.324.235.000,-.
2. Het College voor zorgverzekeringen (hierna aan te duiden als: het College) verdeelt de in het eerste lid genoemde macro-deelbudgetten volgens het derde tot en met achtste lid elk in deelbudgetten voor ieder ziekenfonds. De som van de aan elk ziekenfonds toegedeelde deelbudgetten wordt besteedbaar gesteld ten laste van de Algemene Kas, behoudens de geraamde opbrengsten van nominale rekenpremie en tweederde deel van de geraamde opbrengsten van verhaal. Het College stelt het budget voor elk ziekenfonds vast en geeft daarbij aan welk deel daarvan ten laste van de Algemene Kas besteedbaar is.
Verdeling van het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel
3. De verdeling van het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging variabel, verminderd met een bedrag van f 2.892.000,- , geschiedt als volgt.
Het College verdeelt 30% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag op basis van de aantallen productie-indicatoren verpleegdag, opname, dagverpleging en eerste polikliniekbezoek in de periode van 1996 tot en met 1998, per verzekerdenjaar en per ziekenfonds. Het College kan bij de hiertoe te hanteren historische reeksen per ziekenfonds correctiegewichten toepassen voor verschuivingen van verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’ voor elk jaar in de periode van 1996 tot en met 1998, ten opzichte van het jaar 2000.
Het College verdeelt 70% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan de hand van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe, en gaat daarbij uit van de geraamde macro-omvang van de productie-indicatoren verpleegdag, opname, dagverpleging, en eerste polikliniekbezoek voor ziekenfondsverzekerden voor het jaar 2000, zoals weergegeven in Tabel 1, en de bijbehorende prijscomponenten zoals weergegeven in Tabel 2, en hanteert daarbij de correctiefactoren, zoals weergegeven in Tabel 3.
[tabel]
[tabel]
[tabel]
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 4.
[tabel]
Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, zoals opgenomen in Tabel 5.
[tabel]
De verdeling van het in de eerste volzin genoemde bedrag van f 2.892.000,- geschiedt naar rato van de omvang van het voor ieder ziekenfonds ingevolge dit artikellid berekende deelbudget ziekenhuisverpleging variabel.
4. Het College verdeelt het macro-deelbudget ziekenhuisverpleging vast in deelbudgetten voor elk ziekenfonds op basis van de totale historische kosten ziekenhuisverpleging in het jaar 1998 per verzekerde per ziekenfonds.
5. Het College verdeelt het macro-deelbudget specialistische hulp op basis van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe.
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 6.
[tabel]
Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, zoals opgenomen in Tabel 7.
[tabel]
6. Het College verdeelt 30% van het macro-deelbudget overige verstrekkingen op basis van de historische kosten van overige verstrekkingen in de periode van 1996 tot en met 1998, per verzekerdenjaar per ziekenfonds. Het College kan bij de hiertoe te hanteren historische kostenreeksen per ziekenfonds correctiegewichten hanteren voor verschuivingen van verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’ per jaar in de periode van 1996 tot en met 1998 ten opzichte van het jaar 2000.
Het College verdeelt 70% van het macro-deelbudget overige verstrekkingen aan de hand van de verzekerdenaantallen naar ’leeftijd’, ’geslacht’, ’verzekeringsgrond’ en ’regio’. Het College kent aan de twee eerstgenoemde criteria gewichten toe, en gaat daarbij uit van de correctiefactoren, zoals weergegeven in Tabel 8.
[tabel]
Voorts gaat het College uit van de verzekeringsgrondgewichten, zoals vermeld in Tabel 4. Voor de toepassing van de regiofactor inventariseert het College per ziekenfonds het aantal verzekerden per 4-cijferig postcodegebied. Deze verzekerden worden vervolgens ondergebracht in een vijftal klassen van stedelijkheid. Dit vindt plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hiervoor gehanteerde maatstaf: de omgevingsadressendichtheid van postcodes (OAD). Voor de vijf verschillende OAD-klassen gaat het College uit van de gewichten, gebruikt zoals opgenomen in Tabel 9.
[tabel]
7. Het College past een inschaling toe op de in de tabellen 4 tot en met 7, en 9 opgenomen gewichten betreffende de toepassing van de criteria ’verzekerdenaantallen naar verzekeringsgrond’ en ’verzekerdenaantallen naar regio’ op basis van de haar ter beschikking staande gegevens, naar het totale ziekenfondsverzekerdenbestand. Het College stelt per macro-deelbudget de gewichten van de in de eerste volzin genoemde criteria vast.
8. Bij de bepaling van het aantal ingeschreven verzekerden laat het College de inschrijving buiten beschouwing van verzekerden voor wier kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge artikel 5ten laste van de Algemene Kas middelen besteedbaar worden gesteld naar het werkelijke bedrag van die kosten. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op inschrijvingen met terugwerkende kracht, voorzover het betreft de periode waarover die inschrijvingen terugwerken.