BWBR0010610
Geldig vanaf 1999-07-21
Artikel 5
Besluit behoud historische buitenplaatsen
1. Voor subsidieverlening komen in aanmerking projecten die beschermde historische buitenplaatsen betreffen waarvoor een door de minister goedgekeurd beheersplan voor een periode van tien jaren bestaat.
2. Het beheersplan, bedoeld in het eerste lid bevat ten minste:
a. een inventarisatie van cultuurhistorische, tuin- en landschapsarchitectonische en natuur- en recreatieve waarden;
b. een beheersvisie die aangeeft welke elementen van belang zijn voor de beschermde historische buitenplaats en de wijze waarop deze in stand moeten worden gehouden;
c. een meerjarenplanning ten behoeve van het reguliere en periodiek onderhoud van de beschermde historische buitenplaats.
3. De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een verklaring dat werkzaamheden ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, verricht worden op beschermde historische buitenplaatsen waarvoor een beheersplan als bedoeld in het eerste lid aanwezig is.
4. Indien een beheersplan als bedoeld in het eerste lid niet aanwezig is en bij de aanvraag genoegzaam is aangetoond dat een dergelijk plan daadwerkelijk in voorbereiding is, kan de minister in afwijking van het eerste lid subsidie verlenen. Het derde lid is in dit geval niet van toepassing.
2. Het beheersplan, bedoeld in het eerste lid bevat ten minste:
a. een inventarisatie van cultuurhistorische, tuin- en landschapsarchitectonische en natuur- en recreatieve waarden;
b. een beheersvisie die aangeeft welke elementen van belang zijn voor de beschermde historische buitenplaats en de wijze waarop deze in stand moeten worden gehouden;
c. een meerjarenplanning ten behoeve van het reguliere en periodiek onderhoud van de beschermde historische buitenplaats.
3. De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een verklaring dat werkzaamheden ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, verricht worden op beschermde historische buitenplaatsen waarvoor een beheersplan als bedoeld in het eerste lid aanwezig is.
4. Indien een beheersplan als bedoeld in het eerste lid niet aanwezig is en bij de aanvraag genoegzaam is aangetoond dat een dergelijk plan daadwerkelijk in voorbereiding is, kan de minister in afwijking van het eerste lid subsidie verlenen. Het derde lid is in dit geval niet van toepassing.