De in
artikel 46b, derde lid, onder c, van de wetbedoelde categorieën van personen zijn:
a. bestuurders en commissarissen van rechtspersonen of vennootschappen waarin de instelling een deelneming heeft, als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien de meest recent vastgestelde omzet van die rechtspersoon of vennootschap tenminste 10% van de geconsolideerde omzet van de instelling bedraagt;
b. degenen die rechtstreeks of middellijk meer dan 25% van het kapitaal van de instelling verschaffen, alsmede, indien het een rechtspersoon of vennootschap betreft, de bestuurders en commissarissen van die rechtspersoon of vennootschap;
c. echtgenoten van de in artikel 46b, derde lid, onder a of b van de wet bedoelde personen, alsmede bloed- en aanverwanten in de eerste graad en andere personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren met de in artikel 46b, derde lid, onder a of b, van de wet bedoelde personen;
d. echtgenoten van de in de onderdelen a of b bedoelde personen, alsmede bloed- en aanverwanten in de eerste graad en andere personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren met de in de onderdelen a of b bedoelde personen;
e. bloed- en aanverwanten in de eerste graad van de in artikel 46b, derde lid, onder a of b, van de wet of de onderdelen a of b van dit artikel bedoelde personen, die met deze personen geen gemeenschappelijke huishouding voeren, indien deze bloed- en aanverwanten de beschikking hebben of door de transactie verkrijgen over tenminste 5% van de aandelen, of certificaten van aandelen, in het kapitaal van de instelling;
f. leden van een ondernemingsraad, groepsondernemingsraad of centrale ondernemingsraad van de instelling, als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.