BWBR0010524
Geldig vanaf 1999-07-15
Artikel 3
Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen
Indien de afzondering, bedoeld in artikel 24 van de wet,
a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming,
b. in verband met de ernst van de gedragingen van de gedetineerde, of
c. in verband met de lichamelijke- of geestelijke toestand van de gedetineerde, niet ten uitvoer kan worden gelegd in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, vindt deze plaats in een afzonderingscel.
a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming,
b. in verband met de ernst van de gedragingen van de gedetineerde, of
c. in verband met de lichamelijke- of geestelijke toestand van de gedetineerde, niet ten uitvoer kan worden gelegd in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, vindt deze plaats in een afzonderingscel.