BWBR0010510
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 17b
Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie
1. Degene aan wie ontslag op aanvraag wordt verleend en die ten tijde van dat ontslag een aaneengesloten diensttijd heeft van ten minste 24 jaar, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een gegarandeerd maandelijks inkomen indien:
a. hij onder toepassing van het Sociaal Beleidskader behoort tot een knelpuntcategorie, remplaçant of externe herplaatsingskandidaat is;
b. artikel 53g van het Algemeen militair ambtenarenreglement van toepassing is.
2. Het gegarandeerd maandelijks inkomen bedraagt bij een diensttijd van
a. 24 tot 28 jaar: 30 %
b. 28 tot 32 jaar: 35 %
c. 32 dienstjaren en meer: 37,5 %
van het door degene genoten maandsalaris vermeerderd met de maandelijkse opbouw van de vakantie-uitkering over het maandsalaris.
3. In afwijking van de diensttijd als bedoeld in artikel 1, blijft de tijd welke de persoon in dienst is geweest bij de rijksoverheid, dan wel een sector van de rijksoverheid, buiten beschouwing bij het vaststellen van de diensttijd voor het gegarandeerd maandelijks inkomen. Diensttijd wordt ook als «aaneengesloten» beschouwd indien deze eenmaal gedurende maximaal een jaar is onderbroken.
4. Op het gegarandeerd maandelijks inkomen worden inkomsten in verband met arbeid of uitoefening van een bedrijf in mindering gebracht indien en voor zover daarmee de vigerende norm volgens de <a href="/wet/BWBR0019562" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet Openbaarmaking uit de Publieke middelen gefinancierde Topinkomens</a>wordt overschreden. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht Onze Minister van de inkomsten terstond mededeling te doen.
5. Het gegarandeerd maandelijks inkomen eindigt zodra de persoon, bedoeld in het eerste lid, de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of zodra hij wederom werkzaamheden gaat verrichten bij of voor Onze Minister anders dan als zelfstandig ondernemer op individuele basis.
6. Met de toekenning van het gegarandeerd maandelijks inkomen doet de persoon, bedoeld in het eerste lid, afstand van alle overige rechten waarop hij tot de pensioengerechtigde leeftijd in verband met zijn ontslag jegens Onze Minister aanspraak zou kunnen maken.
a. hij onder toepassing van het Sociaal Beleidskader behoort tot een knelpuntcategorie, remplaçant of externe herplaatsingskandidaat is;
b. artikel 53g van het Algemeen militair ambtenarenreglement van toepassing is.
2. Het gegarandeerd maandelijks inkomen bedraagt bij een diensttijd van
a. 24 tot 28 jaar: 30 %
b. 28 tot 32 jaar: 35 %
c. 32 dienstjaren en meer: 37,5 %
van het door degene genoten maandsalaris vermeerderd met de maandelijkse opbouw van de vakantie-uitkering over het maandsalaris.
3. In afwijking van de diensttijd als bedoeld in artikel 1, blijft de tijd welke de persoon in dienst is geweest bij de rijksoverheid, dan wel een sector van de rijksoverheid, buiten beschouwing bij het vaststellen van de diensttijd voor het gegarandeerd maandelijks inkomen. Diensttijd wordt ook als «aaneengesloten» beschouwd indien deze eenmaal gedurende maximaal een jaar is onderbroken.
4. Op het gegarandeerd maandelijks inkomen worden inkomsten in verband met arbeid of uitoefening van een bedrijf in mindering gebracht indien en voor zover daarmee de vigerende norm volgens de <a href="/wet/BWBR0019562" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet Openbaarmaking uit de Publieke middelen gefinancierde Topinkomens</a>wordt overschreden. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht Onze Minister van de inkomsten terstond mededeling te doen.
5. Het gegarandeerd maandelijks inkomen eindigt zodra de persoon, bedoeld in het eerste lid, de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of zodra hij wederom werkzaamheden gaat verrichten bij of voor Onze Minister anders dan als zelfstandig ondernemer op individuele basis.
6. Met de toekenning van het gegarandeerd maandelijks inkomen doet de persoon, bedoeld in het eerste lid, afstand van alle overige rechten waarop hij tot de pensioengerechtigde leeftijd in verband met zijn ontslag jegens Onze Minister aanspraak zou kunnen maken.