1. Een recept voor een opiumwetmiddel wordt door degene die voorschrijft in onuitwisbare letters gesteld en ondertekend onder vermelding van de datum van ondertekening. Het recept bevat:
a. de naam en voorletters, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die voorschrijft;
b. de naam van het voorgeschreven opiumwetmiddel, alsmede voluit in letters geschreven, de hoeveelheid daarvan.
2. Indien een recept strekt ter aflevering van een opiumwetmiddel aan een persoon ten behoeve van wie of ten behoeve van wiens dier het opiumwetmiddel wordt voorgeschreven, bevat het recept tevens:
a. de naam en voorletters, het adres en de woonplaats van die persoon, en voor zover het recept een dier betreft, een aanduiding van het dier;
b. een duidelijke omschrijving van de wijze van gebruik, waaronder begrepen de per etmaal ten hoogste te gebruiken hoeveelheid;
c. het toegelaten aantal herhalingen, voluit geschreven in letters.
3. Indien een opiumwetmiddel wordt voorgeschreven ten behoeve van een persoon onderscheidenlijk een dier, doch moet worden afgeleverd door tussenkomst van degene die voorschrijft, bevat het recept, behalve de in het eerste lid bedoelde gegevens, de naam en voorletters, het adres en de woonplaats van die persoon, en voor zover het recept een dier betreft, een aanduiding van het dier, alsmede de woorden «in manu medici» of een aanduiding van gelijke strekking.
4. Indien door een apotheekhoudende arts of door een arts aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in
artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, bij het voorschrijven van opiumwetmiddelen gebruik wordt gemaakt van een receptformulier dat strekt ter aflevering van geneesmiddelen aan meer dan één persoon, behoeven de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, slechts een keer te worden vermeld.